Uithuisplaatsing

Uithuisplaatsing

Wij behandelen alle soorten zaken op het terrein van uithuisplaatsing (UHP).

Klik op een van de onderwerpen voor meer informatie:

  1. Uithuisplaatsing
  2. Spoed uithuisplaatsing
  3. Plaatsingsmogelijkheden
  4. Verweermiddelen en rechtsmiddelen

1. Uithuisplaatsing

Wanneer de zorgen over een kind dusdanig ernstig zijn dat een ondertoezichtstelling niet toereikend is, kan een machtiging uithuisplaatsing (MUHP) worden verzocht. Bij een uithuisplaatsing woont het kind niet langer thuis maar in een pleeggezin of tehuis.

Verzoek

De uithuisplaatsing kan worden verzocht door de gecertificeerde instelling (GI) die belast is met de ondertoezichtstelling, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie.

De gemeente (ofwel het college van Burgemeester en Wethouders) kan verder een verzoek indienen voor een machtiging tot gesloten uithuisplaatsing. Daarvoor is echter de instemming van de gezagdragende ouder(s) nodig tenzij de voogdij berust bij de gecertificeerde instelling.

Voorwaarde

Een uithuisplaatsing is slechts mogelijk indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of om onderzoek te doen naar de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind.

Dit is bijvoorbeeld het geval als het kind verwaarloosd of mishandeld wordt. Het doel van de uithuisplaatsing is dat de situatie dusdanig verbetert dat het kind weer thuis kan wonen. Uithuisplaatsing hoeft niet gedwongen te zijn maar kan ook vrijwillig zijn.

Zitting

Het verzoek tot uithuisplaatsing wordt door de kinderrechter op een zitting behandeld. Op deze zitting kunnen de ouders en/of het minderjarige kind verweer voeren tegen het verzoek tot uithuisplaatsing. Deze zitting is niet openbaar. U kunt ook niet zonder meer een adviseur meenemen naar een dergelijke zitting behalve een advocaat.

Het minderjarige kind krijgt bij een verzoek tot uithuisplaatsing in de vorm van gesloten jeugdhulp een advocaat toegewezen. Kinderen vanaf 12 jaar kunnen zelfstandig verweer voeren bij de kinderrechter. De kinderrechter kan een apart gesprek hebben met het minderjarige kind in de vorm van een kindgesprek.

Duur

De uithuisplaatsing duurt maximaal 1 jaar. Na 1 jaar kan de rechter de uithuisplaatsing verlengen indien de rechter dat nodig acht en een verzoek is gedaan door de gecertificeerde instelling. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek tot verlenging dan kan de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie een dergelijk verzoek doen.

Het is echter ook mogelijk dat de uithuisplaatsing van kortere duur is als de hulpverlening naar verwachting korter nodig is om het gewenste doel te bereiken. Zeker wanneer de advocaat van de ouders goed motiveert waarom een kortere duur toereikend is, kan de rechter hierin meegaan. Wanneer uw kind 18 jaar wordt, eindigt de uithuisplaatsing van rechtswege.

Schriftelijke aanwijzing

In geval van een uithuisplaatsing zijn de ouders en het kind verplicht om mee te werken. Wanneer u zich niet houdt aan het hulpverleningsplan dan kunt u een schriftelijke aanwijzing krijgen van de gezinsvoogd. Deze aanwijzing wordt meestal vooraf  aangekondigd. Dat kan bijvoorbeeld een instructie zijn om de omgang met het uit huis geplaatste kind te beperken.

Als u zich niet houdt aan de schriftelijke aanwijzing van de gezinsvoogd dan kan de gezinsvoogd de kinderrechter vragen om die te bekrachtigen en daaraan zo nodig een dwangmiddel te verbinden zoals een dwangsom. Het niet opvolgen van een schriftelijke aanwijzing kan ook gevolgen hebben voor de verlenging van de uithuisplaatsing of de inzet van een verdergaande kinderbeschermingsmaatregel.

Omgang

Over het algemeen zullen de ouders contact blijven hebben met het uit huis geplaatste kind tenzij de gezinsvoogd van oordeel is dat dat niet in het belang is van het kind. In dat geval zal de gezinsvoogd een schriftelijke aanwijzing geven omtrent de beperking van die omgang.

Deze beperking door de gezinsvoogd is echter niet mogelijk indien de kinderrechter een specifieke omgangsregeling bij beschikking heeft bepaald. In dat geval kan de gezinsvoogd de kinderrechter evenwel verzoeken om de vastgestelde omgangsregeling te wijzigen.

Ouderlijk gezag

Ondanks dat sprake is van een dwangkader houden de ouders, die het gezag hadden voor de ondertoezichtstelling, in beginsel het gezag. Het gezag wordt echter wel beperkt doordat de verplichting bestaat om de aanwijzingen van de gezinsvoogd op te volgen. Verder is het ook mogelijk dat de rechter het gezag beperkt op specifieke terreinen waardoor het gezag met de gezinsvoogd wordt gedeeld voor die betreffende beslissingen die de kinderrechter in zijn beschikking vermeldt.

Wel is het mogelijk dat het gezag wordt beëindigd als kinderbeschermingsmaatregel. Deze gezagsbeëindigende maatregel is een ver(der)gaande maatregel die slechts in uitzonderlijke situaties wordt toegepast waarbij bijvoorbeeld duidelijk is dat de ouders niet langer in staat zijn om het kind zelf op te voeden.

2. Spoed uithuisplaatsing

Indien een spoed uithuisplaatsing (SUHP) wordt verzocht dan wordt deze direct afgegeven door de kinderrechter indien de rechter van oordeel is dat de uitkomst van een onderzoek niet afgewacht kan worden. De spoed uithuisplaatsing wordt slechts toegewezen indien onmiddellijk en ernstig gevaar voor het minderjarige kind dreigt.

Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS)

De spoed uithuisplaatsing wordt over het algemeen gecombineerd met een verzoek tot een voorlopige  (VOTS). Klik hier om meer te lezen over de voorlopige machtiging tot ondertoezichtstelling.

Zitting

Vervolgens volgt binnen 2 weken een zitting waarvoor de belanghebbenden worden uitgenodigd waaronder in ieder geval de Raad voor de Kinderbescherming en de ouders maar ook kan de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling die de uithuisplaatsing uitvoert aanwezig zijn en in sommige gevallen het Openbaar Ministerie.

Verweer

De ouders krijgen op de zitting gelegenheid om zich uit te laten over het verzoek en om vragen te beantwoorden van de kinderrechter. De ouders kunnen zich verweren tegen het verzoek en zich daarbij laten bijstaan door een gespecialiseerde advocaat.

3. Plaatsingsmogelijkheden

Bij een uithuisplaatsing zijn er voor wat betreft de plaatsing verschillende mogelijkheden.

Het minderjarige kind kan worden geplaatst in een:

  1. Pleeggezin.
  2. Gezinshuis.
  3. Accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
  4. Andere voorzieningen.

Pleeggezin

Bij een uithuisplaatsing kan het kind in een pleeggezin worden geplaatst. Dit kan gaan om een neutraal pleeggezin of een netwerkpleeggezin zoals het gezin van een opa, oma, oom of tante.

Gezinshuis

Sommige kinderen kunnen door hun specifieke problematiek of specifieke behandelingen niet in een pleeggezin geplaatst worden. Een gezinshuis is een kleinschalige woonvorm waarin de gezinshuishouders in hun eigen gezin een of meerdere jeugdigen opnemen. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk het klimaat van een gezinssituatie gecrëeerd.

In een gezinshuis bieden de gezinshuisouders de jeugddigen op professionele wijze 24 uur per dag verzorging, opvoeding en begeleiding. In een gezinshuis is in ieder geval één van de gezinshuisouders professioneel opgeleid die ook een salaris of vergoeding ontvangt voor het werk als gezinshuisouder.

Accommodatie van een jeugdhulpaanbieder

Een jongere kan in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden geplaatst. In dergelijke accommodaties kan hulp worden verleend in de vorm van behandeling, begeleiding en verzorging van de jeugdige in combinatie met een verblijf in bijvoorbeeld een leefgroep.

Het betreft over het algemeen jongeren met gedragsproblemen, verstandelijke beperkingen, psychiatrische stoornissen, ernstige opvoedproblemen off problemen in de gezinssituatie. Deze vorm van hulp biedt de jongere die niet geplaatst kan worden in een (netwerk)pleeggezin al dan niet tijdelijk een veilige woonomgeving in combinatie met behandelmogelijkheden.

Jeugdzorgplus

Plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder kan ook in de vorm van plaatsing in een gesloten instelling voor jeugdhulp (ook wel Jeugdzorgplus).

Plaatsing in een instelling voor Jeugdzorgplus is aan de orde:

  • indien de gesloten plaatsing nodig is vanwege ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen; en
  • om te voorkomen dat het kind zich aan de jeugdhulp onttrekt; óf
  • om te voorkomen dat anderen het kind onttrekken aan de benodigde jeugdhulp.

Nadat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een ‘machtiging gesloten jeugdzorg’ heeft verleend, wordt het kind geplaatst in een instelling voor Jeugdzorgplus. Onder Jeugdzorgplus vallen gedwongen opname, gesloten verblijf en gedwongen behandeling.

Andere voorzieningen

Andere voorzieningen zijn bijvoorbeeld begeleid wonen of kamertraining. Bij begeleid wonen gaat het om ondersteuning die wordt geboden aan jongeren zodat zij leren om te gaan met de overgang naar volledig zelfstandig wonen.

Wanneer jongeren nog niet klaar zijn voor de stap naar zelfstandig wonen dan kan een traject voor kamertraining ingezet worden om de zelfstandigheid te vergroten. Het gaat hierbij om jongeren die op relatief jonge leeftijd op een zelfstandige leefsituatie aangewezen zijn, terwijl zij nog niet de nodige (sociale en praktische) vaardigheden beheersen.

4. Verweermiddelen en rechtsmiddelen

In het kader van een uithuisplaatsing zijn er diverse verweermiddelen en rechtsmiddelen om te verweren of op te komen tegen de verschillende beslissingen die genomen kunnen worden in het kader van een uithuisplaatsing. Hieronder bespreken wij de in de praktijk meest voorkomende verweermiddelen en rechtsmiddelen.

Verweer (S)UHP

Een uithuisplaatsing kan alleen worden uitgesproken als deze maatregel noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of om onderzoek te doen naar diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Wanneer de Raad voor de Kinderbescherming (of het Openbaar Ministerie) er onterecht van uitgaat dat sprake is van een dergelijke situatie dient u met een gespecialiseerde advocaat verweer te voeren tegen het verzoek tot uithuisplaatsing. Dit geldt ook als de spoed uithuisplaatsing wordt verzocht en u meent dat daarvoor geen of onvoldoende gronden bestaan.

Uw advocaat zal uw dossier en het verzoek bestuderen en u adviseren over de te volgen route. Daarbij kan het verstandig zijn om een externe deskundige in te schakelen. Een dergelijke deskundige kan een (her)beoordeling maken van de gestelde opvoedproblematiek. Diens rapport kan dan worden gebruikt om de kinderrechter ervan te overtuigen dat het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen dient te worden of op zijn minst de duur van de uithuisplaatsing verkort dient te worden.

Dit verweer kan schriftelijk worden gedaan of mondeling op de zitting. U wordt aangeraden om een advocaat in te schakelen en tijdig schriftelijk verweer in te dienen via uw advocaat met de nodige bewijsstukken. Op de zitting kunt u het verweer vervolgens samen met uw advocaat verder toelichten.

Verweer verlenging UHP

De uithuisplaatsing kan steeds met een jaar worden verlengd wanneer daartoe een verzoek is gedaan dat volgens de kinderrechter toegewezen dient te worden omdat de opvoedproblematiek niet is weggenomen na afloop van de duur van de uithuisplaatsing of wanneer nog nader onderzoek nodig is naar de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind.

De gezinsvoogd dient in dat geval dus aan te tonen dat de gronden van de uithuisplaatsing nog altijd aanwezig zijn. De bevindingen van de gezinsvoogd zijn in de praktijk vaak van grote betekenis voor de vraag of de uithuisplaatsing verlengd wordt. Dat betekent dat de uithuisplaatsing in theorie ieder jaar zou kunnen worden verlengd.

Als u echter meent dat de uithuisplaatsing onterecht verlengd dreigt te worden omdat u vindt dat de situatie is gewijzigd en de zorgen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing niet langer aanwezig zijn dan dient u met behulp van een gespecialiseerde advocaat verweer te voeren tegen het verzoek tot verlenging. Daarbij is het heel belangrijk om uw stellingen goed te onderbouwen en daarbij ook gebruik te maken van onafhankelijke externe deskundigen indien nodig en mogelijk.

Beëindiging, bekorting en wijziging verblijfplaats

De gezagdragende ouder(s), het minderjarige kind van 12 jaar of ouder en de pleegouder(s) kunnen wegens gewijzigde omstandigheden een verzoek doen bij de gecertificeerde instelling om:

  1. de uithuisplaatsing te beëindigen;

  2. de duur van de uithuisplaatsing te bekorten; of

  3. af te zien van een besluit tot wijziging van de verblijfplaats van het kind (tenzij de kinderrechter heeft ingestemd met de verzochte wijziging).

De gecertificeerde instelling dient binnen twee weken schriftelijk te reageren op het verzoek. Indien uw verzoek wordt afgewezen dan kunt u binnen 2 weken in beroep bij de kinderrechter. De kinderrechter zal uw verzoek dan opnieuw beoordelen en bepalen of de gewijzigde omstandigheden aanwezig zijn en of het door u gedane verzoek toegewezen moet worden.

Hoger beroep

Indien u het niet eens bent met de beslissing van de kinderrechter omtrent de uithuisplaatsing dan kunt u in hoger beroep bij het gerechtshof. U kunt bijvoorbeeld in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank om uw kind uit huis te plaatsen, de uithuisplaatsing te verlengen, uw verzoek tot beëindiging of bekorting van de duur van de uithuisplaatsing af te wijzen of uw verzoek omtrent de verblijfplaats van uw minderjarige kind af te wijzen.

U kunt niet in hoger beroep tegen afwijzing van uw verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing of uw verzoek om de schriftelijke aanwijzing in te trekken tenzij deze schriftelijke aanwijzing betrekking heeft op een beperking van het contact met uw minderjarige kind.

Bij het gerechtshof wordt de gehele zaak opnieuw beoordeeld waarbij opnieuw wordt gekeken naar zowel de feiten als de toepassing van het recht. Ook wanneer u niet tevreden bent met het bij de rechtbank gevoerde verweer of wanneer dit verweer tekortkomingen heeft, kunt u het een en ander herstellen in hoger beroep.

Cassatieberoep

Mocht u het niet eens zijn met de beslissing van het gerechtshof dan kunt u onder bepaalde omstandigheden cassatieberoep indienen bij de Hoge Raad der Nederlanden (de Hoge Raad). Daarvoor dient u een gespecialiseerde cassatieadvocaat in te schakelen.

De Hoge Raad beslist echter niet opnieuw over de feiten maar beoordeelt slechts de vraag of het gerechtshof zich heeft gehouden aan het recht. Dat betekent dat de Hoge Raad uitgaat van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door het gerechtshof.

 

Meer informatie of hulp nodig?

Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met:

Wat zijn de kosten?

Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.

 

Direct afspraak maken

Wilt u direct een afspraak maken voor een adviesgesprek bij uw regiokantoor? Bel voor een afspraak: 030 - 2919874 (Utrecht), 084 - 8753322 (Amsterdam) of 087 - 7848621 (Rotterdam).

 

Relevante artikelen

In de categorie uithuisplaatsing kunt u de volgende artikelen raadplegen: