Marokkaanse uitspraak over omgang en alimentatie erkend in Nederland?

Kan een Marokkaanse rechter een omgangs- of alimentatieregeling vaststellen terwijl beide ouders en de kinderen in Nederland wonen? En kan een dergelijke uitspraak worden erkend in Nederland? In dit artikel wordt aan de hand van een uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 25 november 2021 besproken welke rechter bevoegd is om de omgangsregeling en kinderalimentatie vast te stellen wanneer ouders en kinderen in Nederland wonen en wanneer een Marokkaanse uitspraak kan worden erkend. We staan eerst kort stil bij de Nederlandse en Marokkaanse regelgeving omtrent omgang en kinderalimentatie en de verschillen daartussen.

1. Omgang en kinderalimentatie in Nederland

1.1. Omgang Nederland

Op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben ouders na de scheiding recht op omgang met hun kinderen en de plicht tot omgang met hun kinderen. Ook de kinderen hebben het recht op omgang met beide ouders. In beginsel stellen de ouders deze omgangsregeling met elkaar vast.

Vaststelling door rechter

Wanneer de ouders er niet samen uitkomen of een van de ouders komt de afspraken niet na dan kan de rechter een omgangsregeling vaststellen. De rechter kan de omgang tussen een ouder en kind ook verbieden als dit in het belang van het kind is, bijvoorbeeld als de ouder het kind mishandelt of seksueel misbruikt.

1.2. Kinderalimentatie Nederland

Op grond van artikel 1:404 BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Op grond van artikel 1:395a BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar.

Behoefte en draagkracht

De niet-verzorgende ouder is dus verplicht om financieel voor de kinderen te blijven zorgen. De kinderalimentatie kan door de rechter worden vastgesteld. Hierbij kijkt de rechter naar de behoefte van het kind die wordt afgeleid van het gezinsinkomen en de draagkracht van beide ouders. Wanneer een ouder een laag inkomen heeft, kan de alimentatieplicht ook op nihil worden gesteld.

2. Omgang en kinderalimentatie in Marokko

2.1. Omgang Marokko

Op grond van artikel 180 van de Marokkaanse familierecht (de Mudawwana) heeft de niet-verzorgende ouder het recht om het kind te bezoeken en bezoek van het kind te ontvangen.

Vaststelling door rechter

Net zoals in Nederland kunnen naar Marokkaans recht afspraken worden gemaakt tussen de ouders over de omgangsregeling die worden vastgelegd in een rechterlijke beschikking, zo bepaalt artikel 181 van de Mudawwana. Indien ouders niet tot een regeling kunnen komen dan stelt de Marokkaanse rechter een dergelijke omgangsregeling vast op grond van artikel 182 van de Mudawwana.

Lees ook: Wat is de Mudawwana en voor wie geldt deze wet?

2.2. Kinderalimentatie Marokko

Ten aanzien van alimentatie verschilt het Marokkaanse familierecht ten opzichte van dat van Nederland. In Marokko is een man (maar ook een vrouw) na de scheiding niet verplicht om partneralimentatie te betalen aangezien de Mudawwana deze onderhoudsplicht niet kent.

Daartegenover staat dat in beginsel uitsluitend de vader degene is die onderhoudsplichtig is voor het onderhoud van de kinderen welke onderhoudsbijdrage aan de moeder wordt betaald.

Alimentatieduur

Volgens artikel 198 van de Mudawwana is een vader onderhoudsplichtig voor zijn zoon tot de leeftijd van 18 jaar en wanneer de zoon een studie volgt geldt dit tot de leeftijd van 25 jaar. Een vader is voor zijn dochter onderhoudsplichtig totdat zij zichzelf kan onderhouden of gehuwd is, aldus artikel 198 van de Mudawwana. Een vader is volgens hetzelfde artikel altijd onderhoudsplichtig voor een kind dat gehandicapt is of voor een kind dat niet in staat is zichzelf te onderhouden.

Geen nihilstelling

Wanneer een vader een laag inkomen heeft, blijft de alimentatieplicht bestaan in Marokko en geldt in beginsel geen mogelijkheid tot nihilstelling zoals in Nederland. De moeder die draagkrachtig is kan bij wijze van uitzondering gehouden zijn om bij te dragen in het levensonderhoud van de kinderen als de vader niet draagkrachtig is volgens artikel 199 van de Mudawwana, maar dit is eerder uitzondering dan regel.

Lees ook: Kinderalimentatie in Marokko verzoeken onrechtmatig?

Lees ook: Kinderalimentatie in Marokko vragen altijd onrechtmatig?

3. De uitspraak

3.1. Feiten

In de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 25 november 2021 ging het om een man en vrouw die met elkaar gehuwd zijn op het Marokkaanse consulaat in Amsterdam. De man en vrouw hebben zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, waarvan twee inmiddels meerderjarig zijn.

Marokkaanse uitspraak

Op 24 december 2018 heeft de rechtbank in Marokko de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. Hierbij heeft de rechter onder meer bepaald dat de man verplicht is om omgerekend € 160,93 per kind per maand aan kinderalimentatie te betalen aan de vrouw. Ook heeft de rechter een omgangsregeling vastgesteld. De vader is gerechtigd om omgang te hebben met de kinderen (die nog onder het zorgrecht vallen van de moeder) elke zondag van 9:00 uur tot 18:00 uur.

Nederlandse uitspraak

Bij de bestreden Nederlandse beschikking heeft de Nederlandse rechtbank, op verzoek van de moeder, het gezamenlijke gezag over de kinderen beëindigd en bepaald dat dit alleen toekomt aan de moeder. Ook heeft de rechtbank de uitspraak van de rechtbank van Marokko over omgang erkend en vervolgens gewijzigd door de vader de omgang voor de duur van een jaar te ontzeggen. Tot slot heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de kinderalimentatie te bepalen op € 25,- per kind per maand afgewezen.

Hoger beroep

De man komt in hoger beroep op tegen de beslissing van de Nederlandse rechter omtrent de beëindiging van de omgang en de afwijzing van zijn verzoek om de alimentatie op € 25,- per kind per maand vast te stellen. Tegen de toewijzing van het eenhoofdige gezag aan de vrouw stelt hij ook hoger beroep in maar die grief trekt hij later in.

3.2. Gerechtshof over de omgang

Het hof heeft ten aanzien van de omgang overwogen dat het omgangsrecht valt onder de werking van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: “het Verdrag”). Marokko en Nederland zijn beide partij bij dit verdrag. De vaststelling van een maatregel die is genomen door een verdragsluitende staat, moet in beginsel door andere verdragsluitende staten worden erkend, maar mag worden geweigerd als de verdragsluitende staat niet bevoegd was om die maatregel te nemen.

Marokkaanse rechter niet bevoegd

De bevoegdheid moet gebaseerd zijn op een bevoegdheidsgrond vastgelegd in de artikelen 5 tot en met 10 van het Verdrag. Marokko was in dit geval niet bevoegd om een maatregel ten aanzien van de omgang vast te stellen. Er is namelijk niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 10 van het Verdrag. Immers, een van de partijen (de vader of de moeder) had bij de aanvang van de echtscheidingsprocedure zijn of haar gewone verblijfsplaats in Marokko moeten hebben en dit was niet het geval. Artikel 5 van het Verdrag wijst bovendien juist de Nederlandse rechter aan als bevoegde rechter op grond van de woonplaats van de kinderen in Nederland.

Geen erkenning Marokkaanse beslissing

De erkenning van de Marokkaanse beslissing kan dus worden geweigerd. Het hof zag daar in deze zaak ook aanleiding toe. Hierbij achtte het hof van belang dat de kinderen niet zijn gehoord door de Marokkaanse rechter en dat de rechter van het land van de gewone verblijfsplaats van het kind (Nederland) het beste kan beoordelen wat de situatie en het belang van het kind is.

Overigens wordt een inhoudelijke beoordeling aangehouden in afwachting van een gesprek tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het betreffende minderjarige kind.

3.3. Gerechtshof over de kinderalimentatie

Over de erkenning van de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie heeft het hof overwogen dat er geen verdrag bestaat tussen Marokko en Nederland. Daarom moet er worden uitgegaan van het commune internationale privaatrecht, te weten artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Gazprom-criteria

De Hoge Raad heeft voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht vastgelegd in het arrest van 26 september 2014 (Gazprombank-arrest). Het gaat om de volgende zogeheten Gazprom-criteria:

  1. De bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft genomen, moet berusten op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
  2. De procedure waarin de beslissing tot stand is gekomen, moet voldoen aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging.
  3. Erkenning van de beslissing mag niet in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde.
  4. De beslissing mag niet onverenigbaar zijn met een eerdere tussen de partijen gegeven beslissing.

Erkenning Marokkaanse beslissing

Het hof heeft bovenstaande voorwaarden getoetst en geoordeeld dat aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan en de beslissing daarom in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer gelegd.

Wijziging Marokkaanse beslissing

Wel kan de Marokkaanse beslissing volgens het hof op grond van artikel 1:401 lid 4 BW worden gewijzigd of ingetrokken indien de beslissing niet aan de (Nederlandse) wettelijke maatstaven voldoet doordat er is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Omdat de Marokkaanse beschikking niet vermeldt van welke inkomens- of andere gegevens is uitgegaan en ook niet vermeldt op welke wijze daarmee rekening is gehouden bij de vaststelling van de kinderalimentatie, zag het hof wel aanleiding om de beslissing te wijzigen.

Het hof heeft de kinderalimentatie opnieuw vastgesteld op € 17,- per maand per kind. Hierbij is rekening gehouden met de verklaring van de vader dat beide partijen leven van een uitkering en dat er op de uitkering van de vader beslagen zijn gelegd.

4. Conclusie

Om vast te kunnen stellen of een Marokkaanse beschikking over de omgang en de kinderalimentatie kan worden erkend in Nederland wordt eerst gekeken welke rechter bevoegd is tot het vaststellen van deze regelingen.

4.1. Omgang: Haags Kinderbeschermingsverdrag

Wanneer het gaat om de omgang is het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 van toepassing aangezien beide landen verdragsluitende partijen zijn. Daarin is bepaald dat in beginsel alle maatregelen genomen door een verdragsluitend land moeten worden erkend in andere verdragsluitende landen. Maar de erkenning kan geweigerd worden wanneer de rechter die de beslissing heeft genomen zijn bevoegdheid niet kan ontlenen aan de in de artikelen 5 tot en met 10 van het Verdrag genoemde bevoegdheidsgronden zoals in het hiervoor besproken voorbeeld.

4.2. Kinderalimentatie: commuun internationaal privaatrecht

Bij de bevoegdheid tot het vaststellen van een alimentatieregeling is er geen verdrag tussen Marokko en Nederland zodat beide landen onafhankelijk van elkaar beslissingen kunnen nemen. Om na te gaan of een Marokkaanse beslissing vervolgens kan worden erkend, moet worden uitgegaan van het commune internationale privaatrecht in het bijzonder artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht zijn voorwaarden vastgesteld door de Hoge Raad in het zogeheten Gazprom-arrest. Indien aan deze voorwaarden is voldaan dan kan de beslissing in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd worden. In de hiervoor besproken casus kon de Marokkaanse uitspraak worden erkend en vervolgens door het Nederlandse gerechtshof gewijzigd worden.

 

Meer informatie of hulp nodig?

Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met:

Wat zijn de kosten?

Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.