De Leerplichtwet 1969 (Lpw) verplicht ouders en verzorgers er in beginsel voor te zorgen dat een leerplichtig kind op een school staat ingeschreven. Voor kinderen die vanwege lichamelijke of psychische omstandigheden niet geschikt zijn om tot een school of instelling te worden toegelaten, kent artikel 5, aanhef en onder a, Lpw echter een bijzondere vrijstelling van de inschrijvingsplicht.
Deze vrijstellingsgrond staat momenteel volop in de belangstelling. De Tweede Kamer heeft op 7 april 2026 de Wet terugdringen schoolverzuim aangenomen. Dit wetsvoorstel bevat belangrijke wijzigingen van de procedure voor de vrijstelling wegens lichamelijke of psychische ongeschiktheid en is op het moment van schrijven nog in behandeling bij de Eerste Kamer. Een belangrijk onderdeel daarvan is dat bij de beoordeling nadrukkelijker moet worden gekeken naar het onderwijskundig perspectief van het kind.
Dat is in het bijzonder relevant voor kinderen die tussen wal en schip dreigen te vallen. Denk aan een hoog- of uitzonderlijk hoogbegaafd kind voor wie verrijking, versnelling of een plusklas onvoldoende blijkt te zijn, maar ook aan een zwakbegaafd kind dat ondanks extra ondersteuning niet tot ontwikkeling komt binnen het reguliere onderwijs. Hetzelfde kan gelden voor kinderen met autisme, ernstige angstproblematiek, chronische ziekte, overprikkelingsproblematiek of een combinatie van lichamelijke, psychische en cognitieve problematiek.
Voor ouders kunnen dan moeilijke vragen ontstaan. Wanneer is een kind juridisch werkelijk ongeschikt om tot een school te worden toegelaten? Moeten ouders eerst alle vormen van passend onderwijs, speciaal onderwijs, een plusklas of andere ondersteuning hebben geprobeerd? Kan van ouders worden verlangd dat zij dagelijks een grote afstand afleggen omdat ergens anders in Nederland wel een gespecialiseerde school bestaat? En mogen ouders, wanneer de vrijstelling eenmaal bestaat, hun kind thuisonderwijs geven?
In dit blog bespreken wij de huidige wettelijke regeling, relevante rechtspraak, de verhouding tot passend onderwijs en thuisonderwijs en de veranderingen die met de Wet terugdringen schoolverzuim worden voorgesteld.
1. Vrijstelling wegens lichamelijke of psychische ongeschiktheid
1.1. De hoofdregel van de Leerplichtwet
Artikel 2, eerste lid, Lpw bepaalt, kort gezegd, dat degene die het gezag over een jongere uitoefent en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, ervoor moeten zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.
Op deze inschrijvingsplicht bestaan uitzonderingen. Een daarvan is opgenomen in artikel 5, aanhef en onder a, Lpw. Volgens deze bepaling bestaat een vrijstelling zolang:
“de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten.”
Het gaat dus om een vrijstelling van de verplichting om het kind op een school of instelling ingeschreven te hebben. Deze vrijstelling moet worden onderscheiden van een ziekmelding, geoorloofd schoolverzuim of een regeling waarbij een ingeschreven leerling tijdelijk minder onderwijsuren volgt.
1.2. Wanneer is een kind ongeschikt om tot een school te worden toegelaten?
De wet noemt lichamelijke en psychische gronden. Niet iedere ziekte, beperking, stoornis, diagnose of bijzondere onderwijsbehoefte maakt een kind echter automatisch ongeschikt om tot een school te worden toegelaten.
De wettelijke vraag is uiteindelijk of het individuele kind vanwege zijn lichamelijke of psychische toestand niet geschikt is om tot een school of instelling te worden toegelaten.
Dat onderscheid is belangrijk. Een kind kan bijvoorbeeld niet functioneren op zijn huidige school, terwijl het met andere ondersteuning of binnen een andere onderwijsomgeving wel onderwijs zou kunnen volgen. Andersom kan een kind zodanige problematiek hebben dat ook aangepast of speciaal onderwijs op dat moment niet haalbaar is.
1.3. Vrijstelling is iets anders dan ziekteverzuim
Artikel 5 onder a Lpw ziet op de inschrijvingsplicht. Wanneer rechtsgeldig een beroep op deze vrijstelling kan worden gedaan, hoeft het kind gedurende de vrijstelling niet op een school te staan ingeschreven.
Dat is iets anders dan een ingeschreven leerling die wegens ziekte tijdelijk niet naar school kan. In dat laatste geval blijft de leerling in beginsel ingeschreven en kan sprake zijn van geoorloofd schoolverzuim.
Ook bestaat tegenwoordig de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de normale onderwijstijd. Daardoor bestaat juridisch een belangrijk tussengebied tussen volledig onderwijs volgen en volledig van de inschrijvingsplicht zijn vrijgesteld.
2. Welke voorwaarden gelden voor artikel 5 onder a Lpw?
2.1. Kennisgeving aan de gemeente
Ouders kunnen niet uitsluitend op grond van hun eigen oordeel besluiten dat hun kind onder artikel 5 onder a Lpw valt.
Artikel 6 Lpw bepaalt dat ouders zich slechts op de vrijstelling kunnen beroepen wanneer zij daarvan kennis hebben gegeven aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind als ingezetene in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
De kennisgeving moet onder meer vermelden op welke wettelijke grond het beroep op vrijstelling wordt gedaan.
2.2. De verklaring van een deskundige
Voor artikel 5 onder a Lpw geldt daarnaast artikel 7 Lpw.
Bij de kennisgeving moet volgens de huidige wet een verklaring worden overgelegd van een door burgemeester en wethouders aangewezen:
- arts, niet zijnde de behandelend arts;
- academisch gevormde pedagoog; of
- academisch gevormde of daarmee bij ministeriële regeling gelijkgestelde psycholoog.
Uit de verklaring moet blijken dat de deskundige het kind niet geschikt acht om tot een school of instelling te worden toegelaten. De verklaring mag volgens de huidige regeling bovendien niet ouder zijn dan drie maanden.
2.3. Een verklaring van de eigen behandelaar is niet zonder meer voldoende
Informatie van een behandelend psycholoog, psychiater, kinderarts of andere hulpverlener kan zeer belangrijk zijn. De behandelaar kan immers beschikken over uitgebreide kennis van de belastbaarheid, ontwikkeling en problematiek van het kind.
Voor het formele beroep op artikel 5 onder a Lpw gelden echter de specifieke eisen van artikel 7 Lpw. Een inhoudelijk overtuigende verklaring van de eigen behandelaar is daarom niet automatisch de wettelijk vereiste verklaring.
3. Hoogbegaafdheid, zwakbegaafdheid en een onderwijsaanbod dat niet past
3.1. Kan hoogbegaafdheid tot een vrijstelling leiden?
Voor hoogbegaafde en uitzonderlijk hoogbegaafde kinderen kan een bijzonder moeilijke situatie ontstaan. Een kind kan cognitief ver voorlopen, ernstig vastlopen in het reguliere onderwijs, psychische klachten ontwikkelen, langdurig thuis komen te zitten of zelfs beschadigd raken door een onderwijsomgeving die onvoldoende bij zijn ontwikkelingsniveau aansluit.
Hoogbegaafdheid als zodanig levert echter niet automatisch een vrijstelling op grond van artikel 5 onder a Lpw op. Beslissend blijft of het individuele kind op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school te worden toegelaten.
Dat onderscheid komt duidelijk naar voren in de uitspraak Gerechtshof Amsterdam 18 mei 2017.
In deze zaak verschilden de ouder en de school onder meer van mening over de vraag of het kind meerbegaafd of hoogbegaafd was. De school had aangepast werk, verrijkingsopdrachten en deelname aan een interne of externe plusklas aangeboden. Een GZ-psycholoog had het kind vervolgens op psychologische gronden ongeschikt geacht om tot een school te worden toegelaten.
Het beroep op artikel 5 onder a Lpw slaagde in die strafzaak echter niet, omdat de betrokken psycholoog niet door het college van burgemeester en wethouders was aangewezen als deskundige in de zin van artikel 7 Lpw.
De zaak laat daarmee tevens zien dat een discussie over hoogbegaafdheid, verrijking en een plusklas daadwerkelijk kan samenlopen met een beroep op artikel 5 onder a Lpw.
3.2. Wat als een plusklas of verrijkingsprogramma geen oplossing biedt?
Dat een school een plusklas, verrijkingsmateriaal of extra opdrachten aanbiedt, betekent niet automatisch dat daarmee passend onderwijs voor ieder hoogbegaafd kind beschikbaar is.
De vraag moet steeds worden toegespitst op het individuele kind. Voor het ene hoogbegaafde kind kan enkele uren per week in een plusklas voldoende zijn. Voor een ander kind kan de onderwijsbehoefte veel verder gaan, bijvoorbeeld omdat sprake is van uitzonderlijke hoogbegaafdheid, een grote ontwikkelingsvoorsprong, ernstige verveling of onderprikkeling, bijkomende psychische problematiek of een combinatie van hoogbegaafdheid met bijvoorbeeld autisme of ADHD.
Daarom kan niet uitsluitend worden gevraagd óf een plusklas bestaat. Relevant is ook of het aangeboden onderwijs daadwerkelijk aansluit bij de concrete onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van het kind.
Tegelijkertijd geldt dat het tekortschieten van een plusklas niet automatisch betekent dat het kind ongeschikt is voor iedere school. Er moet worden onderscheiden tussen enerzijds de ongeschiktheid van het kind om schoolonderwijs te volgen en anderzijds het ontbreken van een voldoende passend onderwijsaanbod.
3.3. En hoe zit het met een zwakbegaafd kind?
Een vergelijkbare problematiek kan zich aan de andere kant van het cognitieve spectrum voordoen.
Een zwakbegaafd kind kan binnen het reguliere onderwijs voortdurend overvraagd worden, ondanks extra instructie, een aangepast programma of plaatsing in bijvoorbeeld een kansklas. Ook kan sprake zijn van bijkomende problematiek, zoals ontwikkelingsachterstanden, gedragsproblematiek of psychische klachten.
Ook dan geldt dat zwakbegaafdheid op zichzelf niet automatisch leidt tot artikel 5 onder a Lpw. Eerst moet worden gekeken naar de daadwerkelijke mogelijkheden van het kind en naar onderwijs dat bij die mogelijkheden aansluit, waaronder zo nodig speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs.
Maar ook hier geldt dat het enkele bestaan van een kansklas, speciale voorziening of bepaalde vorm van ondersteuning niet beslissend is. De voorziening moet voor het individuele kind daadwerkelijk toegankelijk en geschikt zijn.
Voorbeeld: plusklas biedt geen oplossingEen uitzonderlijk hoogbegaafd kind loopt ondanks versnelling, verrijkingsmateriaal en deelname aan een plusklas volledig vast. Het kind ontwikkelt ernstige psychische klachten en is volgens betrokken deskundigen niet meer in staat om binnen de aangeboden onderwijsomgeving te functioneren. Het enkele feit dat de school een plusklas aanbiedt, beantwoordt dan nog niet de juridische vraag of passend onderwijs beschikbaar is. Tegelijkertijd bewijst het tekortschieten van die plusklas evenmin automatisch dat aan artikel 5 onder a Lpw is voldaan. Onderzocht moet worden wat de lichamelijke en psychische belastbaarheid van dit specifieke kind is en welke reële onderwijsmogelijkheden nog bestaan. |
4. Moet eerst worden onderzocht of passend onderwijs mogelijk is?
4.1. De zorgplicht en het samenwerkingsverband
Binnen het stelsel van passend onderwijs hebben scholen en samenwerkingsverbanden verantwoordelijkheden voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.
Wanneer een aangemelde leerling extra ondersteuning nodig heeft, moet worden onderzocht welk passend aanbod mogelijk is. Afhankelijk van de omstandigheden kan dat worden gevonden binnen het reguliere onderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
Dat is van belang voor artikel 5 onder a Lpw, omdat het ontbreken van een passende plek op één bepaalde school iets anders is dan lichamelijke of psychische ongeschiktheid om tot een school te worden toegelaten.
4.2. Geen passende school gevonden betekent niet automatisch vrijstelling
Dit onderscheid kan voor ouders frustrerend zijn. Zij kunnen jarenlang hebben geprobeerd een passende school te vinden, terwijl iedere nieuwe voorziening uiteindelijk toch onvoldoende blijkt.
Juridisch moet echter onderscheid worden gemaakt tussen:
- een kind dat vanwege lichamelijke of psychische omstandigheden daadwerkelijk niet geschikt is om tot een school te worden toegelaten; en
- een kind dat in beginsel onderwijs kan volgen, maar waarvoor het onderwijsstelsel op dat moment geen daadwerkelijk passend aanbod realiseert.
In het tweede geval is een tekort in het onderwijsaanbod niet zonder meer een lichamelijke of psychische ongeschiktheid van het kind.
Dat onderscheid is juist een belangrijk onderwerp in de huidige discussie over artikel 5 onder a Lpw. De regering heeft bij de Wet terugdringen schoolverzuim benadrukt dat een school en samenwerkingsverband zich maximaal moeten inspannen om onderwijs mogelijk te maken en dat moet worden voorkomen dat een kind een vrijstelling krijgt enkel omdat passend onderwijs feitelijk niet beschikbaar is.
5. Moeten ouders een grote afstand afleggen voor een passende school?
5.1. Artikel 5 onder a kent momenteel geen afzonderlijke afstandsgrens
Een belangrijke vraag is hoe ver ouders moeten zoeken naar een school die hun kind mogelijk wel kan bedienen.
Daarbij is allereerst van belang dat de huidige tekst van artikel 5 onder a Lpw zelf geen afstandscriterium bevat. Dat verschilt van artikel 5 onder b Lpw, waarin uitdrukkelijk wordt gesproken over scholen die binnen redelijke afstand van de woning zijn gelegen.
Daarom kan uit artikel 5 onder a Lpw niet eenvoudig een vaste kilometergrens worden afgeleid waarbinnen ouders alle scholen moeten hebben onderzocht.
5.2. Redelijke afstand wordt bij de nieuwe wet belangrijker
De Wet terugdringen schoolverzuim brengt hierin een belangrijke ontwikkeling.
In het wetsvoorstel wordt het begrip “onderwijskundig perspectief” gekoppeld aan de ontwikkelmogelijkheden van een jongere in het onderwijs binnen een redelijke afstand van de woonplaats. Het samenwerkingsverband krijgt daarbij een rol in het adviseren over de onderwijsmogelijkheden.
Daarmee wordt juist voorkomen dat uitsluitend theoretisch wordt geredeneerd dat ergens een school bestaat die mogelijk iets voor het kind kan betekenen. Relevant moet worden welke ontwikkelmogelijkheden daadwerkelijk binnen redelijke afstand beschikbaar zijn.
Zolang het wetsvoorstel niet in werking is getreden, is dit echter nog niet de huidige wettelijke norm van artikel 5 onder a Lpw.
5.3. Hoe ver kan van ouders worden verlangd dat zij reizen?
Er bestaat voor artikel 5 onder a Lpw momenteel geen algemene wettelijke regel dat ouders bijvoorbeeld maximaal 10, 20 of 50 kilometer hoeven te reizen. Evenmin volgt uit de wet dat iedere school in Nederland moet worden geprobeerd voordat een beroep op vrijstelling mogelijk is.
Bij de praktische beoordeling kunnen verschillende omstandigheden relevant zijn. Denk aan de afstand, dagelijkse reistijd, leeftijd en belastbaarheid van het kind, de aard van de lichamelijke of psychische problematiek, de frequentie waarmee het kind moet reizen en de vraag of de betreffende school daadwerkelijk het noodzakelijke onderwijs kan bieden.
Een school die op papier gespecialiseerd is maar vanwege de dagelijkse reisbelasting feitelijk niet haalbaar is voor het betreffende kind, kan niet zonder meer op dezelfde wijze worden beschouwd als een passende school dichtbij huis.
Daarbij moet echter worden onderscheiden tussen de vraag of artikel 5 onder a Lpw van toepassing is en de afzonderlijke vraag wie de kosten en organisatie van het vervoer naar een passende school draagt.
5.4. Leerlingenvervoer kan bij een verder gelegen school relevant zijn
Wanneer passend onderwijs alleen op grotere afstand beschikbaar is, kan ook de regelgeving over leerlingenvervoer relevant worden.
Voor het vervoer van leerlingen naar school bestaan afzonderlijke wettelijke regelingen voor het primair onderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs. Deze zijn opgenomen in de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op de expertisecentra (WEC) en de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020). Deze wetten bevatten de landelijke kaders voor het leerlingenvervoer. Gemeenten moeten deze regels nader uitwerken in een gemeentelijke verordening en zijn verantwoordelijk voor de uitvoering ervan.
Bij de beoordeling of een leerling voor een vervoersvoorziening in aanmerking komt, speelt onder meer de afstand tussen de woning en de school een rol. Daarbij gaat het niet zonder meer om de school die de ouders zelf hebben gekozen. Uitgangspunt is in beginsel de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school die het onderwijs biedt waarop de leerling is aangewezen. De gemeentelijke verordening bepaalt vervolgens onder welke voorwaarden en vanaf welke afstand aanspraak bestaat op bijvoorbeeld een vergoeding van openbaar vervoer, aangepast vervoer of een kilometervergoeding.
Dit betekent dat wanneer ouders kiezen voor een verder weg gelegen school terwijl dichter bij huis een voor hun kind toegankelijke en passende school beschikbaar is, de gemeente bij de vergoeding van het leerlingenvervoer in beginsel mag uitgaan van die dichterbij gelegen school. Of een school daadwerkelijk als ‘toegankelijk’ kan worden beschouwd, kan daarom van groot belang zijn.
Voorbeeld: gespecialiseerde school op grote afstandEen hoogbegaafd kind loopt volledig vast op scholen in de eigen omgeving. Een gespecialiseerde school op aanzienlijke afstand stelt dat zij mogelijk wel een passend programma kan bieden. Daarmee staat nog niet automatisch vast dat artikel 5 onder a Lpw niet van toepassing kan zijn. Onder meer moet worden onderzocht of deze school daadwerkelijk passend en toegankelijk is en of het kind, gelet op zijn lichamelijke of psychische belastbaarheid, het dagelijkse vervoer kan verdragen. Daarnaast moet afzonderlijk worden onderzocht of leerlingenvervoer mogelijk is. Onder de voorgestelde Wet terugdringen schoolverzuim wordt deze discussie nadrukkelijker onderdeel van het onderwijskundig perspectief, waarbij wordt gekeken naar ontwikkelmogelijkheden in het onderwijs binnen een redelijke afstand van de woonplaats. |
6. Welke alternatieven bestaan voor volledige vrijstelling?
6.1. Minder uren onderwijs
Een kind hoeft niet steeds volledig geschikt óf volledig ongeschikt voor onderwijs te zijn.
Sinds 1 januari 2026 geldt de Beleidsregel afwijken onderwijstijd funderend onderwijs en verlenen ontheffingen WEC 2025. Deze regeling maakt het onder voorwaarden mogelijk dat voor een individuele ingeschreven leerling vanwege lichamelijke of psychische redenen wordt afgeweken van het verplichte minimumaantal uren onderwijstijd.
Daarvoor is onder meer een ontwikkelingsperspectief nodig en moet worden beschreven waarom de afwijking noodzakelijk is, welke alternatieven op de schoollocatie zijn onderzocht en hoe wordt toegewerkt naar uitbreiding van het aantal onderwijsuren.
Dit kan bijvoorbeeld relevant zijn voor een kind dat niet vijf dagen per week naar school kan, maar wel enkele dagdelen onderwijs aankan.
6.2. Onderwijszorgarrangementen
Daarnaast bestaat het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen. Daarmee wordt geëxperimenteerd met meer ruimte voor kinderen met een complexe ondersteuningsbehoefte die niet goed passen binnen de bestaande scheiding tussen onderwijs en zorg.
Binnen zo’n arrangement kan onder voorwaarden worden afgeweken van voorschriften over onder meer onderwijstijd, inhoud en locatie.
Bijzonder relevant is dat het besluit ook rekening houdt met jongeren van wie de ouders reeds op grond van artikel 5 onder a Lpw zijn vrijgesteld van de inschrijvingsplicht. Een bestaande vrijstelling hoeft dus niet zonder meer te betekenen dat iedere vorm van georganiseerd onderwijs voor het kind definitief buiten beeld is.
7. Geeft artikel 5 onder a Lpw recht op thuisonderwijs?
7.1. Vrijstelling van inschrijving is niet hetzelfde als een vergunning voor thuisonderwijs
Dit onderscheid is essentieel.
Artikel 5 onder a Lpw geeft ouders een vrijstelling van de verplichting ervoor te zorgen dat hun kind op een school of instelling staat ingeschreven wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
De bepaling verleent daarmee op zichzelf geen afzonderlijke “vergunning voor thuisonderwijs”. De Leerplichtwet bepaalt bij deze vrijstelling evenmin dat ouders vervolgens verplicht zijn een volledig schoolprogramma thuis te verzorgen.
Dat neemt niet weg dat ouders in de praktijk thuis activiteiten kunnen ondernemen gericht op de ontwikkeling en het leren van hun kind.
Lees ook: Wanneer is thuisonderwijs toegestaan?
7.2. Mogen ouders hun vrijgestelde kind dan thuis onderwijs geven?
Een vrijstelling op grond van artikel 5 onder a betekent dat de inschrijvingsplicht niet geldt zolang de vrijstelling bestaat. De huidige Leerplichtwet koppelt aan die vrijstelling niet automatisch een verplicht thuisonderwijsprogramma dat gelijk moet zijn aan het programma van een reguliere school.
Dat betekent echter niet dat thuisonderwijs juridisch moet worden beschouwd als de grond voor de vrijstelling. De volgorde is anders: het kind moet op lichamelijke of psychische gronden ongeschikt zijn om tot een school te worden toegelaten en aan de overige voorwaarden van artikel 5 onder a, 6 en 7 Lpw moet zijn voldaan. Dat ouders vervolgens thuis onderwijs of ontwikkelingsactiviteiten aanbieden, maakt op zichzelf niet dat de wettelijke grond voor vrijstelling bestaat.
7.3. Thuisonderwijs kan wel relevant worden bij een latere beoordeling
Daarbij ontstaat een interessante spanning.
Wanneer een kind thuis weer tot leren komt en zich ontwikkelt, kan dat informatie opleveren over zijn mogelijkheden. Dat hoeft niet automatisch te betekenen dat het kind dus ook geschikt is voor schoolonderwijs. Thuisonderwijs kan immers plaatsvinden in een wezenlijk andere omgeving, met individuele begeleiding, minder prikkels, andere lestijden en zonder de sociale en organisatorische belasting van een school.
Maar bij een latere beoordeling van de geschiktheid voor school kunnen de actuele mogelijkheden en ontwikkeling van het kind wel relevant zijn.
Ouders moeten daarom onderscheid blijven maken tussen de stelling dat een kind thuis kan leren en de juridische vraag of het kind geschikt is om tot een school te worden toegelaten. Dat zijn niet noodzakelijk dezelfde vragen.
8. Wordt de vrijstelling door de leerplichtambtenaar verleend?
8.1. Geen gewoon vergunningstelsel
Een belangrijk juridisch aspect van de vrijstellingen uit de Leerplichtwet is dat het wettelijke systeem niet zonder meer moet worden opgevat als een vergunningstelsel waarbij de gemeente naar eigen inzicht beslist of een ouder vrijstelling krijgt.
Bij verschillende vrijstellingsgronden uit artikel 5 Lpw is juist van belang of aan de wettelijke voorwaarden voor het beroep op vrijstelling is voldaan.
Voor artikel 5 onder b Lpw heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State herhaaldelijk geoordeeld dat de vrijstelling rechtstreeks uit de wet voortvloeit wanneer aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden is voldaan. Een mededeling van de gemeente dat volgens haar geen vrijstelling bestaat, is in die rechtspraak niet aangemerkt als een besluit waarbij de vrijstelling wordt geweigerd.
Hoewel deze rechtspraak rechtstreeks betrekking heeft op artikel 5 onder b Lpw en daarom niet zonder meer één-op-één op artikel 5 onder a mag worden toegepast, is voor artikel 5 onder a eveneens van belang dat de wettelijke systematiek niet uitgaat van een vrije bevoegdheid van de leerplichtambtenaar om naar eigen inzicht een vrijstelling toe te kennen.
Ook in de toelichting op de Wet terugdringen schoolverzuim wordt ervan uitgegaan dat op basis van de vereiste verklaring de vrijstelling al dan niet van rechtswege kan ontstaan.
Lees ook: Geen vrijstelling voor thuisonderwijs meer? Dit kunnen ouders doen
8.2. De leerplichtambtenaar bepaalt niet zelf of het kind medisch of psychisch ongeschikt is
Juist daarom is de deskundigenverklaring van artikel 7 Lpw zo belangrijk.
De leerplichtambtenaar treedt niet in de plaats van de arts, pedagoog of psycholoog die de lichamelijke of psychische geschiktheid van het kind moet beoordelen. Tegelijkertijd kan discussie ontstaan over de vraag of de overgelegde verklaring aan de wettelijke vereisten voldoet en of rechtsgeldig een beroep op de vrijstelling is gedaan.
Dat kan voor ouders tot een juridisch ingewikkelde situatie leiden.
9. Wat kunnen ouders doen als de gemeente de vrijstelling niet accepteert?
9.1. Bezwaar en beroep zijn niet vanzelfsprekend
Bij de vrijstellingen uit de Leerplichtwet moet voorzichtig worden omgegaan met de gedachte dat iedere negatieve reactie van de gemeente automatisch een besluit is waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstaat.
Voor artikel 5 onder b Lpw bestaat vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak dat een mededeling van de gemeente over het al dan niet bestaan van de vrijstelling in beginsel geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is wanneer de vrijstelling rechtstreeks uit de wet voortvloeit.
Deze lijn is in 2026 opnieuw zichtbaar geworden in procedures bij de bestuursrechter over vrijstellingen van de inschrijvingsplicht.
Voor artikel 5 onder a moet echter steeds nauwkeurig worden onderzocht wat de aard is van de handeling waartegen ouders willen opkomen. De rechtspositie kan bovendien verschillen wanneer niet de gemeente, maar bijvoorbeeld een andere instantie een formeel besluit neemt.
9.2. Een geschil kan uiteindelijk bij de strafrechter terechtkomen
Het gevolg van deze wettelijke systematiek kan verstrekkend zijn.
Wanneer ouders ervan uitgaan dat een geldige vrijstelling bestaat en hun kind daarom niet inschrijven, terwijl de leerplichtambtenaar meent dat niet aan de voorwaarden is voldaan, kan uiteindelijk proces-verbaal worden opgemaakt wegens overtreding van de Leerplichtwet.
In een strafrechtelijke procedure kan vervolgens de vraag aan de orde komen of daadwerkelijk aan de wettelijke voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan.
De uitspraak Gerechtshof Amsterdam 18 mei 2017 vormt daarvan een concreet voorbeeld.
9.3. De Wet terugdringen schoolverzuim verandert de rechtsbescherming vooralsnog niet fundamenteel
Interessant is dat de regering in de memorie van toelichting bij de Wet terugdringen schoolverzuim expliciet heeft vermeld dat het wetsvoorstel geen wijziging beoogt van de rechtsbescherming bij artikel 5 onder a Lpw.
Volgens die toelichting kan een ouder die het niet eens is met de verklaring van de deskundige, het onderwijskundig advies of de positie van de gemeente daarmee uiteindelijk worden geconfronteerd in een strafrechtelijke procedure. De regering wijst daarnaast op de mogelijkheid van een civielrechtelijke procedure.
Dit maakt duidelijk waarom het voor ouders belangrijk is om al in een vroeg stadium juridisch te laten beoordelen of aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Afwachten totdat strafrechtelijke handhaving plaatsvindt, kan aanzienlijke risico’s meebrengen.
10. Wat leert de rechtspraak over artikel 5 onder a Lpw?
10.1. Gerechtshof Amsterdam: ook de formele eisen zijn belangrijk
De hiervoor genoemde uitspraak Gerechtshof Amsterdam 18 mei 2017 laat zien dat niet alleen de inhoud van een deskundigenoordeel telt.
In die zaak was een GZ-psycholoog tot de conclusie gekomen dat het kind op psychologische gronden ongeschikt was om tot een school te worden toegelaten. Toch slaagde het beroep op de vrijstelling niet, omdat de psycholoog niet door het college van burgemeester en wethouders was aangewezen in de zin van artikel 7 Lpw.
Voor ouders is dit een belangrijke waarschuwing: zelfs wanneer een deskundige inhoudelijk volledig achter het beroep op vrijstelling staat, moet ook aan de formele wettelijke eisen zijn voldaan.
10.2. Ook de wijze waarop de deskundige onderzoek doet kan ter discussie staan
Naast strafrechtelijke rechtspraak bestaat tuchtrechtelijke rechtspraak over artsen en andere deskundigen die betrokken zijn bij beoordelingen in het kader van artikel 5 onder a Lpw.
Daaruit blijkt dat van een deskundige een zorgvuldige en voldoende onderbouwde beoordeling mag worden verwacht. Daarbij kan informatie van ouders, behandelaars en andere betrokken professionals relevant zijn.
Een verschil van mening tussen de eigen behandelaar en de aangewezen deskundige betekent echter niet automatisch dat de aangewezen deskundige onjuist heeft gehandeld. Uiteindelijk moet worden beoordeeld of het onderzoek en de daaruit getrokken conclusie professioneel en voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
11. Wat verandert de Wet terugdringen schoolverzuim?
11.1. De nieuwe regeling is nog niet in werking getreden
De Tweede Kamer heeft de Wet terugdringen schoolverzuim op 7 april 2026 aangenomen. Op het moment van schrijven is het wetsvoorstel nog in behandeling bij de Eerste Kamer.
De huidige artikelen 5, 6 en 7 Lpw blijven daarom voorlopig het uitgangspunt.
11.2. Het onderwijskundig perspectief wordt belangrijker
Een van de belangrijkste wijzigingen is dat bij de procedure rond artikel 5 onder a nadrukkelijker moet worden gekeken naar het onderwijskundig perspectief.
Daarbij gaat het om de ontwikkelmogelijkheden van het kind in het onderwijs binnen redelijke afstand van de woonplaats. Het samenwerkingsverband wordt bij dit perspectief betrokken.
Voor hoogbegaafde en zwakbegaafde kinderen kan dit bijzonder relevant zijn. Niet alleen moet worden bekeken of ergens formeel een plusklas, kansklas, speciale school of andere voorziening bestaat, maar uiteindelijk is van belang welke reële ontwikkelmogelijkheden voor het individuele kind beschikbaar zijn.
11.3. Meer maatwerk in de duur van de vrijstelling
Ook de duur van de vrijstelling wordt gewijzigd.
Het wetsvoorstel beoogt meer variatie mogelijk te maken, zodat een vrijstelling beter kan aansluiten bij de individuele omstandigheden en ontwikkeling van het kind. Daarmee moet worden voorkomen dat kinderen langer dan noodzakelijk volledig buiten het onderwijs blijven.
Let op: voorgestelde wet is nog geen geldend rechtDe Wet terugdringen schoolverzuim is op het moment van schrijven nog niet in werking getreden. Begrippen en procedures uit het wetsvoorstel, waaronder de nadrukkelijkere beoordeling van het onderwijskundig perspectief binnen redelijke afstand van de woonplaats, mogen daarom niet zonder meer worden gepresenteerd alsof zij reeds onderdeel zijn van de huidige regeling van artikel 5 onder a Lpw. |
12. Waar moeten ouders in de praktijk op letten?
12.1. Breng niet alleen de diagnose maar vooral het functioneren van het kind in kaart
Een diagnose alleen is meestal onvoldoende. Van belang is wat de lichamelijke, psychische en cognitieve kenmerken concreet betekenen voor de mogelijkheid om onderwijs te volgen.
Bij een hoogbegaafd kind kan bijvoorbeeld relevant zijn welke verrijking, versnelling, plusklassen en andere aanpassingen zijn geprobeerd en waarom deze onvoldoende waren.
Bij een zwakbegaafd kind kan relevant zijn welke aanpassingen, extra instructie, kansklassen, speciale voorzieningen en vormen van speciaal onderwijs zijn onderzocht.
12.2. Leg vast welke alternatieven zijn onderzocht
Het is verstandig correspondentie en documentatie te bewaren over onder meer:
- de huidige en eerdere scholen;
- het samenwerkingsverband passend onderwijs;
- de leerplichtambtenaar en gemeente;
- artsen, psychologen, pedagogen en andere behandelaars;
- plusklassen, kansklassen en andere ondersteuningsvoorzieningen;
- mogelijkheden binnen speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;
- afwijking van de onderwijstijd;
- onderwijszorgarrangementen; en
- eventuele scholen op grotere afstand en de praktische haalbaarheid van het vervoer.
Dit kan later van groot belang zijn wanneer discussie ontstaat over de vraag of werkelijk geen reële onderwijsmogelijkheid voor het kind bestond.
12.3. Schrijf een kind niet zonder zorgvuldige juridische beoordeling uit
Een beroep op artikel 5 onder a Lpw kan grote gevolgen hebben.
Wanneer achteraf wordt geoordeeld dat geen rechtsgeldige vrijstelling bestond, kan sprake zijn van overtreding van de Leerplichtwet. Het is daarom verstandig om vóór uitschrijving of bij een geschil met de leerplichtambtenaar zorgvuldig te laten beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Lees ook: Vrijstelling leerplicht voor onderwijs in het buitenland
13. Conclusie
Artikel 5, aanhef en onder a, Lpw biedt een belangrijke maar juridisch ingrijpende vrijstelling voor kinderen die op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt zijn om tot een school of instelling te worden toegelaten.
De regeling kan ook relevant zijn bij kinderen die cognitief sterk afwijken van het gemiddelde. Hoogbegaafdheid of zwakbegaafdheid geeft op zichzelf echter geen recht op vrijstelling. Ook het mislukken van een plusklas, kansklas of andere ondersteuningsvoorziening is niet automatisch voldoende. Steeds moet worden onderzocht wat het individuele kind daadwerkelijk aankan en of de problemen voortkomen uit lichamelijke of psychische ongeschiktheid voor schoolonderwijs of uit het ontbreken van een passend onderwijsaanbod.
Daarbij is niet zonder meer vereist dat ouders iedere denkbare school in Nederland proberen. De huidige tekst van artikel 5 onder a bevat geen afzonderlijke kilometergrens. Bij een verder gelegen passende school kunnen de feitelijke toegankelijkheid, belastbaarheid van het kind en de regels over leerlingenvervoer relevant zijn. Onder de voorgestelde Wet terugdringen schoolverzuim wordt bovendien uitdrukkelijker gekeken naar het onderwijskundig perspectief binnen redelijke afstand van de woonplaats.
Ook moet artikel 5 onder a niet worden verward met een vergunning voor thuisonderwijs. De vrijstelling heft onder de wettelijke voorwaarden de inschrijvingsplicht op. Ouders kunnen hun kind vervolgens thuis begeleiden en onderwijs- of ontwikkelingsactiviteiten aanbieden, maar het geven van thuisonderwijs vormt op zichzelf niet de grond voor de vrijstelling.
Tot slot is van belang dat de leerplichtambtenaar niet simpelweg naar eigen inzicht een vrijstelling “verleent”. Het wettelijke systeem draait om de vraag of aan de voorwaarden voor het beroep op vrijstelling is voldaan. Juist omdat de mogelijkheden van bestuursrechtelijke rechtsbescherming niet vanzelfsprekend zijn en een geschil uiteindelijk zelfs tot strafrechtelijke handhaving kan leiden, is een zorgvuldige beoordeling vooraf van groot belang.
Advocatenkantoor El Hannouche kan ouders adviseren over artikel 5 onder a Lpw, de vereiste deskundigenverklaring, hoogbegaafdheid of zwakbegaafdheid in relatie tot de Leerplichtwet, passend onderwijs, de rol van de leerplichtambtenaar en de mogelijkheden wanneer geen passende school beschikbaar lijkt. Ook kan het kantoor beoordelen welke rechtsgang mogelijk is wanneer ouders, gemeente, school, samenwerkingsverband of deskundige van mening verschillen over de onderwijs(on)geschiktheid van een kind en rechtsbijstand verlenen wanneer strafrechtelijke handhaving dreigt of reeds heeft plaatsgevonden.
Meer informatie of hulp nodig?
Wat zijn de kosten?
Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.
