Ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing door thuisonderwijs?

Kan het geven van thuisonderwijs ertoe leiden dat een kind onder toezicht wordt gesteld of zelfs uit huis wordt geplaatst? Deze vraag is bijzonder relevant voor ouders die gebruikmaken van een vrijstelling van de inschrijvingsplicht op grond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 (Lpw). Hoewel thuisonderwijs onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, bestaat in Nederland nog geen afzonderlijk wettelijk stelsel voor de kwaliteit en het toezicht op thuisonderwijs.

Uit de rechtspraak blijkt dat de enkele keuze voor thuisonderwijs niet automatisch voldoende is voor een ondertoezichtstelling (OTS) of uithuisplaatsing (UHP). Wanneer kinderen echter onvoldoende onderwijs ontvangen, ontwikkelingsachterstanden oplopen of ouders onvoldoende inzicht verschaffen in de ontwikkeling van hun kinderen, kan dit onder omstandigheden wel aanleiding geven tot kinderbeschermingsmaatregelen.

Een belangrijke ontwikkeling is de conclusie van advocaat-generaal Ibili van 7 februari 2025. Daarin wordt uiteengezet waarom een overtreding van de Leerplichtwet niet zonder meer een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. De rechtspraak laat tegelijkertijd zien dat onvoldoende onderwijs en het ontbreken van inzicht in de ontwikkeling van een kind wel degelijk een rol kunnen spelen.

In dit blog bespreken wij de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, de relevante rechtspraak over thuisonderwijs, het belang van het Keurmerk Thuisonderwijs en de vraag hoe ouders verstandig kunnen omgaan met een uitnodiging van de leerplichtambtenaar.

Lees verder

Thuisonderwijs: tijd voor wettelijke regulering?

Nederland bevindt zich op een belangrijk moment in het debat over thuisonderwijs. De huidige Leerplichtwet 1969 kent geen algemeen recht voor ouders om thuisonderwijs als zelfstandige onderwijsvorm te kiezen. In de praktijk ontstaat de mogelijkheid daartoe vooral wanneer ouders met succes een beroep kunnen doen op een vrijstelling van de inschrijvingsplicht, in het bijzonder op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet wegens overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs. Het onderwijs dat vervolgens thuis wordt verzorgd, vormt echter geen afzonderlijk gereguleerde onderwijssector met een eigen wettelijk stelsel van kwaliteitsnormen en toezicht.

Precies daarin schuilt een belangrijke paradox. De wetgever maakt het in bepaalde gevallen mogelijk dat kinderen niet bij een reguliere school staan ingeschreven, maar regelt vervolgens nauwelijks wat voor onderwijs zij daarvoor in de plaats ontvangen. De Onderwijsraad constateerde al in 2021 dat niet wettelijk is geregeld dat kinderen met een vrijstelling wegens richtingsbedenkingen daadwerkelijk vervangend onderwijs krijgen en evenmin waaraan dat onderwijs zou moeten voldoen.1 De raad was daarom uitdrukkelijk voorstander van een wettelijke regeling waarbij de nadruk meer zou moeten liggen op onderwijsdoelen en resultaten dan op gedetailleerde voorschriften over de wijze waarop thuisonderwijs wordt ingericht.

De problematiek is in 2026 opnieuw urgent geworden. Op 21 april 2026 wees de Hoge Raad belangrijke arresten over artikel 5 onder b Leerplichtwet. De rijksoverheid had enkele maanden eerder al vastgesteld dat gemeenten verschillend omgaan met richtingsbezwaren en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende juridische houvast ervaart bij de beoordeling van dergelijke zaken. Als een van de structurele oplossingsrichtingen noemde de staatssecretaris uitdrukkelijk het inrichten van thuisonderwijs als afzonderlijke sector. Voor 7 oktober 2026 heeft de vaste Kamercommissie voor Onderwijs vervolgens een rondetafelgesprek gepland over de toekomst van thuisonderwijs en leerplicht.

Deze ontwikkelingen rechtvaardigen een bredere vraag dan alleen hoe het huidige artikel 5 onder b Leerplichtwet moet worden uitgelegd. De wezenlijke vraag is of Nederland thuisonderwijs als zelfstandige vorm van onderwijs moet erkennen, onder voorwaarden moet toestaan en vervolgens op kwaliteit moet controleren. Dit blog betoogt dat daar goede redenen voor bestaan. De internationale praktijk laat zien dat thuisonderwijs in talrijke Europese landen kan samengaan met overheidstoezicht. De beschikbare wetenschappelijke literatuur geeft geen grond voor de algemene veronderstelling dat thuisonderwijs enig nadeel zou opleveren voor kinderen. Bovendien kan gereguleerd thuisonderwijs bijdragen aan maatwerk, talentontwikkeling en een breder palet aan oplossingen voor kinderen voor wie het bestaande onderwijsstelsel onvoldoende passend blijkt.

Lees verder

Vrijstelling Leerplichtwet afgewezen: naar de civiele rechter?

Ouders die een beroep doen op een vrijstelling van de inschrijvingsplicht op grond van artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 (Lpw) kunnen in een juridisch opmerkelijke situatie terechtkomen. De leerplichtambtenaar kan namens het college van burgemeester en wethouders (college) oordelen dat geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan en vervolgens van de ouders verlangen dat zij hun kind alsnog op een school inschrijven.

Volgens de bestaande bestuursrechtelijke rechtspraak geldt dat oordeel echter in beginsel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bezwaar en beroep zouden daartegen daarom niet openstaan.

Minder bekend is dat daarnaast ook de burgerlijke rechter een rol kan spelen. Uit civiele rechtspraak blijkt zelfs uitdrukkelijk dat ouders die thuisonderwijs willen blijven geven tegen de gemeente kunnen procederen wanneer geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.

In dit blog bespreken wij welke civielrechtelijke mogelijkheden ouders hebben, welke vorderingen daarbij kunnen worden ingesteld en hoe de civiele procedure zich verhoudt tot bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures.

Lees verder

Vrijstelling leerplicht bij lichamelijke of psychische ongeschiktheid

De Leerplichtwet 1969 (Lpw) verplicht ouders en verzorgers er in beginsel voor te zorgen dat een leerplichtig kind op een school staat ingeschreven. Voor kinderen die vanwege lichamelijke of psychische omstandigheden niet geschikt zijn om tot een school of instelling te worden toegelaten, kent artikel 5, aanhef en onder a, Lpw echter een bijzondere vrijstelling van de inschrijvingsplicht.

Deze vrijstellingsgrond staat momenteel volop in de belangstelling. De Tweede Kamer heeft op 7 april 2026 de Wet terugdringen schoolverzuim aangenomen. Dit wetsvoorstel bevat belangrijke wijzigingen van de procedure voor de vrijstelling wegens lichamelijke of psychische ongeschiktheid en is op het moment van schrijven nog in behandeling bij de Eerste Kamer. Een belangrijk onderdeel daarvan is dat bij de beoordeling nadrukkelijker moet worden gekeken naar het onderwijskundig perspectief van het kind.

Dat is in het bijzonder relevant voor kinderen die tussen wal en schip dreigen te vallen. Denk aan een hoog- of uitzonderlijk hoogbegaafd kind voor wie verrijking, versnelling of een plusklas onvoldoende blijkt te zijn, maar ook aan een zwakbegaafd kind dat ondanks extra ondersteuning niet tot ontwikkeling komt binnen het reguliere onderwijs. Hetzelfde kan gelden voor kinderen met autisme, ernstige angstproblematiek, chronische ziekte, overprikkelingsproblematiek of een combinatie van lichamelijke, psychische en cognitieve problematiek.

Voor ouders kunnen dan moeilijke vragen ontstaan. Wanneer is een kind juridisch werkelijk ongeschikt om tot een school te worden toegelaten? Moeten ouders eerst alle vormen van passend onderwijs, speciaal onderwijs, een plusklas of andere ondersteuning hebben geprobeerd? Kan van ouders worden verlangd dat zij dagelijks een grote afstand afleggen omdat ergens anders in Nederland wel een gespecialiseerde school bestaat? En mogen ouders, wanneer de vrijstelling eenmaal bestaat, hun kind thuisonderwijs geven?

In dit blog bespreken wij de huidige wettelijke regeling, relevante rechtspraak, de verhouding tot passend onderwijs en thuisonderwijs en de veranderingen die met de Wet terugdringen schoolverzuim worden voorgesteld.

Lees verder

Vrijstelling leerplicht voor onderwijs in het buitenland

De Leerplichtwet 1969 (Lpw) verplicht ouders en verzorgers er in beginsel voor te zorgen dat een leerplichtig kind op een school staat ingeschreven. Op deze inschrijvingsplicht bestaan uitzonderingen. Een daarvan is de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder c, Lpw voor een kind dat bij een onderwijsinrichting buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.

Deze vrijstellingsgrond kan bijvoorbeeld van belang zijn voor gezinnen die al dan niet in Nederland wonen, terwijl hun kind onderwijs volgt in het buitenland. De wettelijke regeling roept echter ook vragen op. Wanneer is sprake van een “inrichting van onderwijs”? Wat wordt verstaan onder “geregeld bezoeken”? Is een verklaring van de buitenlandse school voldoende? En kan online onderwijs aan een buitenlandse school eveneens onder deze vrijstelling vallen?

Over artikel 5 onder c Lpw is betrekkelijk weinig gepubliceerde rechtspraak. Met name de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2012 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 december 2013 geven inzicht in de wijze waarop de voorwaarden voor deze vrijstelling in de praktijk worden uitgelegd. In dit blog bespreken wij de wettelijke regeling en illustreren wij aan de hand van deze rechtspraak wanneer een beroep op artikel 5 onder c Lpw wel of niet kan slagen.

Lees verder

Geen vrijstelling voor thuisonderwijs meer? Dit kunnen ouders doen

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad twee belangrijke arresten gewezen over de vrijstelling van de inschrijvingsplicht op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 (Lpw). De arresten zijn van groot belang voor ouders die op grond van deze vrijstelling hun kinderen thuisonderwijs geven.

In de praktijk worden deze arresten door gemeenten inmiddels gebruikt om bestaande en nieuwe beroepen op artikel 5 onder b Lpw ‘af te wijzen’. De Hoge Raad heeft echter niet geoordeeld dat een beroep op artikel 5 onder b Lpw uitgesloten is. Het ging om strafzaken waarin moest worden beoordeeld of de betrokken ouders met succes een beroep op de wettelijke vrijstelling konden doen. Het lijkt er eerder op dat de Hoge Raad zijn eerdere beoordelingskader heeft willen aanscherpen, in het bijzonder voor bedenkingen tegen openbaar onderwijs.

In dit blog bespreken wij eerst wat de Hoge Raad precies heeft beslist en welke eisen de Leerplichtwet zelf stelt. Daarna komt de bestuursrechtelijke vraag aan bod: wat kunnen thuisonderwijzers doen wanneer het college van burgemeester en wethouders meedeelt dat geen vrijstelling (meer) bestaat. Daarbij bespreken wij ook waarom het, ondanks de bestaande rechtspraak, juridisch zinvol kan zijn om tegen zo’n brief toch tijdig bezwaar te maken.

Lees verder

Wanneer is thuisonderwijs toegestaan?

Onlangs schreef RTL Nieuws dat steeds meer ouders voor thuisonderwijs kiezen omdat zij zich niet kunnen vinden in het scholenaanbod. De vraag die rijst is of thuisonderwijs altijd toegestaan is. In dit blogartikel duiken we in de Leerplichtwet en leggen we ook uit hoe het zit met strafvervolging van ouders die thuisonderwijs willen geven.

Lees verder