Ouders die een beroep doen op een vrijstelling van de inschrijvingsplicht op grond van artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 (Lpw) kunnen in een juridisch opmerkelijke situatie terechtkomen. De leerplichtambtenaar kan namens het college van burgemeester en wethouders (college) oordelen dat geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan en vervolgens van de ouders verlangen dat zij hun kind alsnog op een school inschrijven.
Volgens de bestaande bestuursrechtelijke rechtspraak geldt dat oordeel echter in beginsel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bezwaar en beroep zouden daartegen daarom niet openstaan.
Minder bekend is dat daarnaast ook de burgerlijke rechter een rol kan spelen. Uit civiele rechtspraak blijkt zelfs uitdrukkelijk dat ouders die thuisonderwijs willen blijven geven tegen de gemeente kunnen procederen wanneer geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.
In dit blog bespreken wij welke civielrechtelijke mogelijkheden ouders hebben, welke vorderingen daarbij kunnen worden ingesteld en hoe de civiele procedure zich verhoudt tot bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures.
1. De vrijstelling ontstaat van rechtswege
1.1. Geen vergunning of ontheffing van het college
Voor een goed begrip van de rechtsbescherming moet eerst worden vastgesteld hoe het wettelijke systeem werkt.
Artikel 2 Lpw bevat de verplichting om ervoor te zorgen dat een leerplichtige jongere als leerling van een school of instelling staat ingeschreven. Artikel 5 Lpw bevat daarop verschillende vrijstellingsgronden. Daaronder valt onder meer de vrijstelling wegens lichamelijke of psychische ongeschiktheid in artikel 5 onder a Lpw en de vrijstelling wegens overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in artikel 5 onder b Lpw.
Voor artikel 5 onder b Lpw heeft de Afdeling reeds lang geleden geoordeeld dat de vrijstelling niet door het college wordt verleend, maar rechtstreeks uit de wet voortvloeit wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2006 overwoog de Afdeling dat het bestuursorgaan niet bevoegd was om op de kennisgeving een inhoudelijke beslissing te nemen.
De Afdeling bevestigde deze lijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2009.
Het juridische uitgangspunt is daarmee wezenlijk anders dan bij een vergunning of ontheffing. Het college schept de vrijstelling niet door een positief besluit te nemen. Wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, bestaat de vrijstelling op grond van de wet.
Lees ook: Geen vrijstelling voor thuisonderwijs meer? Dit kunnen ouders doen
1.2. Een afwijzend oordeel is volgens de bestaande rechtspraak geen Awb-besluit
Juist omdat de rechtspositie rechtstreeks uit de wet voortvloeit, heeft de Afdeling geoordeeld dat een mededeling van het college of de leerplichtambtenaar dat volgens hem geen vrijstelling bestaat, in beginsel niet op rechtsgevolg is gericht.
In de zaak uit 2006 had het bestuursorgaan niet alleen meegedeeld dat geen vrijstelling bestond, maar ook dat sprake bleef van absoluut verzuim, dat het kind moest worden ingeschreven en dat bij het uitblijven daarvan proces-verbaal kon worden opgemaakt. Toch kwalificeerde de Afdeling die mededeling niet als besluit.
In de uitspraak van 18 maart 2009 ging het eveneens om een brief waarin het college meedeelde dat het beroep op vrijstelling niet aan de wettelijke eisen voldeed en dat de kinderen daarom moesten worden ingeschreven en regelmatig een school moesten bezoeken. Ook die brief was volgens de Afdeling geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.
1.3. Volgens de oude Afdelingslijn resteerde uiteindelijk de strafrechter
De Afdeling ging in haar oudere rechtspraak nog een stap verder. In de uitspraak uit 2006 overwoog zij dat de vraag of aan de voorwaarden van de Leerplichtwet is voldaan, uiteindelijk in het kader van een strafrechtelijke procedure wegens overtreding van de Leerplichtwet kan worden beoordeeld.
Daarmee ontstond een opmerkelijk systeem van rechtsbescherming. Een ouder die het niet eens is met het oordeel van de gemeente en de gestelde vrijstelling niet wil prijsgeven, moet de inschrijving achterwege laten. De leerplichtambtenaar kan vervolgens onderzoek doen naar absoluut verzuim en proces-verbaal opmaken. Het Openbaar Ministerie kan daarna tot vervolging overgaan. Pas in die strafprocedure kan de ouder als verdachte inhoudelijk verdedigen dat geen overtreding heeft plaatsgevonden omdat de wettelijke vrijstelling wel degelijk bestond.
Dat strafrechters daadwerkelijk inhoudelijk over het bestaan van een vrijstelling oordelen, blijkt uit omvangrijke strafrechtelijke jurisprudentie. Recent heeft ook de Hoge Raad zich op 21 april 2026 opnieuw over artikel 5 onder b Lpw uitgesproken.
2. Waarom staat de oude bestuursrechtelijke lijn opnieuw ter discussie?
2.1. Rechtbanken houden in 2026 voorlopig vast aan de oude lijn
De discussie over de bestuursrechtelijke rechtsingang is in 2025 en 2026 opnieuw opgelaaid.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant hield in haar uitspraak van 16 april 2026 vast aan de bestaande Afdelingsrechtspraak. De rechtbank oordeelde dat brieven waarin de leerplichtambtenaar meedeelde dat geen vrijstelling was ontstaan, geen besluiten waren.
De rechtbank Midden-Nederland kwam op 3 juli 2026 tot dezelfde conclusie. Een ouder had bezwaar gemaakt tegen een brief waarin was meegedeeld dat de vrijstelling volgens de leerplichtambtenaar niet uit de wet voortvloeide. De rechtbank achtte het bezwaar terecht niet-ontvankelijk en verwees voor de inhoudelijke beoordeling van de vrijstelling naar de strafrechter.
Ook de rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 4 september 2026 dat een e-mail van een leerplichtambtenaar waarin naar aanleiding van een kennisgeving aanvullende informatie werd verlangd, geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb was.
De rechtbanken volgen daarmee vooralsnog de bestaande lijn. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de bestuursrechtelijke discussie definitief is beslecht.
2.2. De rechtspraak over bestuurlijke rechtsoordelen is sinds 2009 verder ontwikkeld
Sinds de oude Leerplichtwetjurisprudentie heeft de Afdeling haar algemene rechtspraak over bestuurlijke rechtsoordelen verder ontwikkeld.
De hoofdregel blijft dat een bestuurlijk rechtsoordeel geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is. Daarop bestaan echter uitzonderingen vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming.
De Afdeling heeft meermaals overwogen dat een bestuurlijk rechtsoordeel in zeer uitzonderlijke omstandigheden met een besluit kan worden gelijkgesteld wanneer het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil langs een andere weg aan de rechter voor te leggen.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020 werd zo’n uitzonderlijke situatie aangenomen. In latere rechtspraak heeft de Afdeling deze uitspraak zelf als voorbeeld genoemd van een situatie waarin de alternatieve rechtsgang mede meebracht dat een betrokkene een punitieve sanctie zou moeten afwachten.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 2 november 2022 werd eveneens een uitzondering gemaakt. Daar zou de betrokkene anders moeten doorgaan met gedrag waarvan het bestuursorgaan had vastgesteld dat dit een overtreding vormde en daarmee het risico moeten lopen dat hem een bestuurlijke boete werd opgelegd.
De Afdeling heeft deze uitzonderingsjurisprudentie ook nadien bevestigd.
2.3. Juist bij de Leerplichtwet is de alternatieve route belastend
Daar ligt het principiële argument van ouders die thans om heroverweging van de oude Leerplichtwetjurisprudentie vragen.
Een ouder kan niet eenvoudig een vergunning aanvragen om een appellabel besluit uit te lokken. De ouder stelt immers dat de vrijstelling reeds uit de wet voortvloeit.
Wanneer het college het tegenovergestelde standpunt inneemt, resteert volgens de oude lijn uiteindelijk het voortzetten van de niet-inschrijving. Daarmee moet de ouder juist het gedrag voortzetten dat volgens de gemeente strafbaar is.
Dat kan leiden tot proces-verbaal en vervolging door het Openbaar Ministerie. Bij een veroordeling kan een straf worden opgelegd en kunnen gegevens in de justitiële documentatie worden verwerkt.
De vraag die nu aan de bestuursrechter wordt voorgelegd, is daarom of het vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming nog steeds aanvaardbaar is dat een ouder een strafrechtelijk handhavingstraject moet riskeren voordat een rechter het onderliggende juridische geschil kan beoordelen.
Daarbij kan ook de vraag worden gesteld of de wetgever werkelijk heeft beoogd dat een inhoudelijk verschil van inzicht tussen burger en overheid over het bestaan van een wettelijke vrijstelling in beginsel pas via strafvervolging aan een rechter kan worden voorgelegd.
3. De civiele rechter als aanvullende rechter
3.1. De burgerlijke rechter kan bescherming bieden tegen onrechtmatig overheidshandelen
Naast bestuursrecht en strafrecht bestaat de civiele rechtsgang.
Een vordering tegen een gemeente kan worden gebaseerd op onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. De burgerlijke rechter kan daarnaast op grond van artikel 3:296 BW een veroordeling tot een doen of nalaten uitspreken en op grond van artikel 3:302 BW een verklaring voor recht geven.
In geschillen met de overheid wordt de burgerlijke rechter vaak aangeduid als restrechter. Dat betekent niet dat de burgerlijke rechter steeds kan worden gekozen naast de bestuursrechter. Wanneer voor hetzelfde geschil een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan, kan dat aan ontvankelijkheid of toewijzing bij de burgerlijke rechter in de weg staan.
Bij artikel 5 Lpw is de situatie echter bijzonder. De bestaande bestuursrechtelijke rechtspraak zegt immers juist dat tegen het oordeel over het ontstaan van de vrijstelling geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.
3.2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2015: civiele rechtsgang uitdrukkelijk aanvaard
Van groot belang is de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015.
Deze uitspraak laat rechtstreeks zien hoe de civiele rechtsgang kan functioneren wanneer een bestuursrechtelijke rechtsgang ontbreekt.
De ouders hadden een beroep gedaan op vrijstelling op grond van artikel 5 onder a Lpw. Voor eerdere schooljaren had de gemeente hun beroep bevestigd. Voor het schooljaar 2014/2015 stelde de gemeente zich echter op het standpunt dat niet aan de voorwaarden was voldaan en berichtte zij de ouders dat zij hun kind binnen twintig werkdagen alsnog op een erkende school of instelling moesten inschrijven.
De ouders begonnen daarop een civiel kort geding.
Zij vorderden onder meer:
- een verbod voor de gemeente om hen te verplichten hun kind voor het betreffende schooljaar op een erkende school of instelling in te schrijven.
- een gebod aan de gemeente om een verklaring af te geven waarmee zij financiering voor het gevolgde traject konden verkrijgen.
- een voorschot op schadevergoeding.
De voorzieningenrechter wees het verbod en het gebod toe.
In hoger beroep stelde het hof voorop dat de mededelingen van de leerplichtambtenaar geen Awb-besluiten waren. Juist vervolgens kwam de civiele rechtsgang in beeld. De ouders stelden dat de gemeente onrechtmatig jegens hen handelde door de verklaring niet af te geven en hen te verplichten hun kind op een erkende school of instelling in te schrijven. Het hof aanvaardde dat een dergelijke vordering op zichzelf bij de burgerlijke rechter kon worden ingesteld.
Dat maakt deze uitspraak voor de huidige discussie bijzonder belangrijk. De civiele rechtsingang is hier niet alleen uit het algemene leerstuk van de restrechter afgeleid. Zij is daadwerkelijk toegepast in een geschil over artikel 5 Lpw.
3.3. De vordering moet in beginsel tegen de gemeente worden gericht
Het arrest uit 2015 bevat nog een belangrijk praktisch punt.
De ouders hadden niet alleen de gemeente, maar ook de leerplichtambtenaar persoonlijk gedagvaard. Het hof maakte onderscheid tussen beide.
Het handelen van de leerplichtambtenaar in haar functie kon aan de gemeente worden toegerekend. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van de leerplichtambtenaar was méér nodig. De ouders hadden onvoldoende gesteld om de ambtenaar persoonlijk een voldoende ernstig verwijt te kunnen maken.
Het hof wees de vorderingen tegen de leerplichtambtenaar persoonlijk daarom af.
Voor de processtrategie betekent dit dat een civiele procedure over de uitoefening van de gemeentelijke leerplichttaken in beginsel tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon, de gemeente, moet worden gericht en niet zonder meer tegen de individuele leerplichtambtenaar.
4. Wat kunnen ouders in kort geding vorderen?
4.1. Voor een kort geding is spoedeisend belang nodig
Artikel 254 Rv biedt de mogelijkheid om in spoedeisende zaken een onmiddellijke voorlopige voorziening te vragen.
Bij een geschil over de Leerplichtwet kan spoed bijvoorbeeld bestaan wanneer de gemeente verlangt dat een kind binnen korte termijn wordt ingeschreven, wanneer verdere handhavingsstappen zijn aangekondigd of wanneer andere onmiddellijke gevolgen aan het gemeentelijke standpunt worden verbonden.
Het kort geding is niet bedoeld om de gehele rechtsverhouding tussen partijen definitief vast te stellen. Het is vooral geschikt om gedurende de juridische onzekerheid een tijdelijke voorziening te verkrijgen.
4.2. Een verbod om inschrijving te verlangen wordt rechtstreeks door rechtspraak ondersteund
Op basis van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015 kan worden gedacht aan een vordering die, toegespitst op het concrete dossier, ongeveer inhoudt:
de gemeente te verbieden om van de ouders te verlangen dat zij hun kind gedurende het betreffende schooljaar op een school of instelling inschrijven en om aan het uitblijven van die inschrijving civielrechtelijke of feitelijke vervolgmaatregelen te verbinden, zolang over het bestaan van de ingeroepen vrijstelling nog niet definitief is beslist.
De precieze formulering moet aansluiten bij de handelingen die de gemeente daadwerkelijk verricht of concreet heeft aangekondigd.
Deze vorm van vordering berust dus niet alleen op een theoretische toepassing van artikel 6:162 BW. Een vergelijkbaar verbod is daadwerkelijk in de civiele Leerplichtwetrechtspraak gevorderd en toegewezen.
4.3. Het feit dat de rechter voorlopig over de vrijstelling moet oordelen, maakt het verbod niet declaratoir
Ook op dit punt is het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden belangrijk.
De gemeente voerde aan dat de gevraagde voorzieningen feitelijk een declaratoir karakter hadden en daarom niet in kort geding konden worden gegeven.
Het hof volgde dat niet. Het verbod om de ouders tot inschrijving te verplichten en het gebod om een verklaring af te geven betroffen volgens het hof feitelijke handelingen. Dat de voorzieningenrechter daarvoor eerst voorlopig moest beoordelen hoe de rechtsverhouding tussen partijen lag, maakte die voorzieningen niet ontoelaatbaar.
Dat biedt een belangrijk antwoord op de vraag wat in kort geding kan worden gevorderd.
De ouders hoeven de voorzieningenrechter niet primair te vragen definitief voor recht te verklaren dat de vrijstelling bestaat. Zij kunnen een concreet verbod of gebod vorderen. De voorzieningenrechter kan vervolgens bij de beoordeling daarvan voorlopig oordelen over de onderliggende rechtspositie.
4.4. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 2016 bevestigt dat een civiel kort geding mogelijk is
Een tweede belangrijke uitspraak is de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016.
Ook daar ging het om een ouder wier beroep op een vrijstelling niet was gehonoreerd. De moeder vorderde onder meer een verbod om haar direct of indirect op te dragen haar dochter op een erkende school of instelling in te schrijven of daar onderwijs te laten volgen.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen af en het hof bekrachtigde dat vonnis.
De betekenis van de uitspraak zit voor dit blog niet in de uitkomst, maar in het feit dat de civiele rechter de vordering inhoudelijk behandelde.
Bovendien was inmiddels proces-verbaal opgemaakt en liep er een strafzaak. De strafrechter had het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om de uitkomst van het civiele hoger beroep af te wachten.
Daarmee laat deze zaak concreet zien dat een civiele procedure en een strafrechtelijke procedure naast elkaar kunnen bestaan en elkaar zelfs kunnen beïnvloeden.
4.5. Een kort geding kent duidelijke beperkingen
Een kort geding biedt echter niet in iedere zaak uitkomst.
Wanneer uitgebreid bewijs moet worden geleverd, deskundigenonderzoek noodzakelijk is of complexe feiten moeten worden vastgesteld, kan de voorzieningenrechter oordelen dat daarvoor in kort geding onvoldoende ruimte bestaat.
Dat speelde ook in de procedure die leidde tot de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016. De civiele rechter wees erop dat een kort geding zich niet leent voor uitgebreid deskundigenonderzoek en nadere bewijsvoering.
Ook een zeer brede vordering tegen algemeen gemeentelijk beleid kan problematisch zijn.
Dat blijkt uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017. Daar hadden verschillende ouders onder meer gevorderd dat de gemeente Rotterdam haar beleid rond artikel 5 onder b Lpw zou staken of schorsen en dat bepaalde meldingen of onderzoeksverzoeken zouden worden ingetrokken.
Het hof achtte een brede rechtmatigheidstoets van het gemeentelijke beleid niet geschikt om binnen het bestek van dat kort geding af te doen.
Daarbij moet wel worden vermeld dat het arrest van het hof vervolgens door de uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 2018 is vernietigd en de zaak is verwezen. De Hoge Raad besliste daarbij op een procesrechtelijk punt over het belang bij hoger beroep en gaf geen inhoudelijk oordeel dat het gemeentelijke beleid rechtmatig of onrechtmatig was.
Voor individuele ouders ligt daarom in kort geding doorgaans een nauwkeurig op hun eigen dossier toegespitste vordering meer voor de hand dan een abstracte aanval op het gehele gemeentelijke beleid.
5. Wat kunnen ouders in een civiele bodemprocedure vorderen?
5.1. Een verklaring voor recht is in een bodemprocedure mogelijk
Wanneer ouders een definitief civiel oordeel over hun rechtspositie willen verkrijgen, komt een bodemprocedure in beeld.
Artikel 3:302 BW bepaalt dat de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht kan uitspreken.
Afhankelijk van de omstandigheden kan daarom worden gedacht aan een vordering die luidt:
voor recht te verklaren dat ten aanzien van de minderjarige voor het betreffende schooljaar van rechtswege een vrijstelling van de inschrijvingsplicht als bedoeld in artikel 5 Lpw is ontstaan.
Daarnaast kan bijvoorbeeld worden gevorderd:
voor recht te verklaren dat de gemeente onrechtmatig jegens de ouders handelt door hen, ondanks het bestaan van de wettelijke vrijstelling, te behandelen als personen die niet voldoen aan de inschrijvingsplicht en op dat uitgangspunt verdere handelingen te baseren.
Een verklaring voor recht kan eventueel worden gecombineerd met een verbod of gebod op grond van artikel 3:296 BW en, wanneer daarvoor aanleiding bestaat, een dwangsom.
5.2. De wet en de kortgedingrechtspraak bieden grondslag voor een bodemprocedure
De mogelijkheid om een civiele bodemprocedure te voeren volgt in de eerste plaats uit het algemene burgerlijke recht.
Artikel 3:302 BW bepaalt uitdrukkelijk dat de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht kan uitspreken. Wanneer tussen ouders en de gemeente een concreet geschil bestaat over de vraag of de ouders wegens een van rechtswege ontstane vrijstelling nog aan de inschrijvingsplicht zijn onderworpen en welke handelingen de gemeente op haar tegengestelde standpunt mag baseren, bestaat daarmee een wettelijke grondslag om die rechtsverhouding aan de burgerlijke rechter voor te leggen.
Daarbij kunnen verschillende civielrechtelijke bepalingen naast elkaar een rol spelen:
- artikel 3:302 BW biedt de grondslag voor een verklaring voor recht over de rechtsverhouding.
- artikel 6:162 BW biedt de grondslag voor een vordering wanneer wordt gesteld dat de gemeente onrechtmatig handelt door rechtsgevolgen of feitelijke gevolgen te verbinden aan haar standpunt dat geen vrijstelling bestaat.
- artikel 3:296 BW maakt het mogelijk om aan de verklaring voor recht, indien aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan, een gebod of verbod te verbinden.
- artikel 3:303 BW vereist dat de ouders voldoende belang hebben bij de gevorderde rechterlijke beslissing.
Ook de specifieke civiele rechtspraak over de Leerplichtwet ondersteunt deze mogelijkheid.
Een kort geding is weliswaar geen verplichte voorfase van een bodemprocedure en hoeft evenmin noodzakelijk door een bodemprocedure te worden gevolgd. Het karakter van het kort geding is echter juist dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening geeft in een geschil waarvan de onderliggende rechtsverhouding uiteindelijk door de bodemrechter definitief kan worden beoordeeld.
Dat onderscheid is zichtbaar in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015. Het gerechtshof aanvaardde daar dat de ouders met hun op onrechtmatig handelen van de gemeente gebaseerde vordering bij de burgerlijke rechter terechtkonden. Het hof kon in kort geding vervolgens voorlopig beoordelen hoe de rechtsverhouding tussen partijen moest worden gewaardeerd en op basis daarvan beoordelen of een verbod of gebod gerechtvaardigd was.
Ook de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016 past in die systematiek. De burgerlijke rechter behandelde het Leerplichtwetgeschil inhoudelijk, maar wees er tegelijkertijd op dat binnen een kort geding onvoldoende ruimte kan bestaan voor uitgebreid deskundigenonderzoek en nadere bewijsvoering. Juist voor dergelijke bewijslevering biedt de bodemprocedure meer ruimte.
Uit deze rechtspraak kan daarom worden afgeleid dat de omstandigheid dat het geschil zijn oorsprong vindt in artikel 5 Lpw op zichzelf niet verhindert dat de onderliggende rechtsverhouding aan de burgerlijke rechter wordt voorgelegd. Wanneer de burgerlijke rechter in kort geding bevoegd is om voorlopig over die rechtsverhouding te oordelen teneinde een gevorderd verbod of gebod te kunnen beoordelen, ligt het binnen het civielrechtelijke stelsel voor de hand dat de bodemrechter diezelfde rechtsverhouding definitief kan beoordelen wanneer een daarop toegesneden vordering wordt ingesteld.
Daarbij komt dat de bestaande bestuursrechtelijke rechtspraak vooralsnog juist inhoudt dat het afwijzende oordeel over het ontstaan van de vrijstelling geen Awb-besluit is. Zolang geen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang tegen dat oordeel openstaat, bestaat daarmee niet de gebruikelijke reden voor de burgerlijke rechter om als restrechter terug te treden.
De combinatie van de wettelijke bevoegdheid van de burgerlijke rechter, de civielrechtelijke grondslagen in het Burgerlijk Wetboek en de specifieke Leerplichtwetrechtspraak over de ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling in kort geding biedt daarom een duidelijke juridische basis voor het voeren van een bodemprocedure.
In zo’n bodemprocedure kan de inzet verder gaan dan in kort geding. Waar de voorzieningenrechter vooral een voorlopig verbod of gebod kan geven en daarvoor slechts een voorlopig oordeel over de rechtsverhouding hoeft te vormen, kan de bodemrechter worden gevraagd die rechtsverhouding definitief vast te stellen, bijvoorbeeld door voor recht te verklaren dat de wettelijke vrijstelling is ontstaan en dat de gemeente onrechtmatig handelt voor zover zij de ouders niettemin als overtreders van de inschrijvingsplicht behandelt.
5.3. Waarom kan een bodemprocedure juist aantrekkelijk zijn?
Een bodemprocedure heeft ten opzichte van een kort geding een aantal relevante kenmerken.
De rechter heeft meer ruimte voor bewijslevering en voor een definitief oordeel over de rechtsverhouding. Ook kan de bodemrechter een verklaring voor recht uitspreken.
Dat kan van belang zijn wanneer het geschil niet alleen gaat over een onmiddellijke dreiging van inschrijving of handhaving, maar partijen principieel van mening verschillen over de vraag of de wettelijke vrijstelling voor een bepaald schooljaar is ontstaan en welke gevolgen de gemeente aan haar tegengestelde standpunt mag verbinden.
Daar staat tegenover dat een bodemprocedure aanzienlijk langer kan duren. Wanneer onmiddellijk ingrijpen nodig is, kan daarom naast of vooruitlopend op de bodemprocedure een kort geding noodzakelijk zijn.
6. Wanneer biedt de civiele rechter geen of minder ruimte?
6.1. Wanneer een adequate bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat
De functie van de civiele rechter als restrechter brengt mee dat zijn rol kleiner wordt wanneer een gespecialiseerde bestuursrechtelijke rechtsgang beschikbaar is.
Dat maakt de huidige hogerberoepsprocedures over artikel 5 Lpw bijzonder relevant.
Wanneer de Afdeling haar oude rechtspraak zou heroverwegen en zou oordelen dat een afwijzend rechtsoordeel onder bepaalde omstandigheden voor bestuursrechtelijke rechtsbescherming in aanmerking komt, kan dat gevolgen hebben voor de ruimte bij de burgerlijke rechter.
Dat betekent niet noodzakelijk dat iedere civiele vordering onmiddellijk onmogelijk wordt. Het hangt onder meer af van de precieze vordering, het gestelde onrechtmatige handelen en de rechtsbescherming die de bestuursrechter kan bieden. Maar de aanwezigheid van een adequate bestuursrechtelijke rechtsgang is voor de civiele rechter wel van groot belang.
6.2. Wanneer uitgebreid feitenonderzoek noodzakelijk is
Een kort geding is daarnaast minder geschikt wanneer de uitkomst afhankelijk is van uitvoerig feitenonderzoek, getuigenverhoren of deskundigenonderzoek.
In dat geval kan een bodemprocedure meer voor de hand liggen.
Dit onderscheid is belangrijk. Dat een ouder bij de civiele rechter ontvankelijk kan zijn, betekent nog niet dat iedere civiele vordering in kort geding kan worden toegewezen.
6.3. Niet zonder meer procederen tegen de leerplichtambtenaar persoonlijk
Uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015 volgt bovendien dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het handelen van de gemeente en persoonlijke aansprakelijkheid van de ambtenaar.
Wanneer een leerplichtambtenaar in de uitoefening van zijn of haar gemeentelijke taak handelt, ligt een vordering tegen de gemeente voor de hand. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van de ambtenaar gelden aanvullende eisen.
7. Kunnen bestuursrecht, strafrecht en civiel recht tegelijkertijd worden ingezet?
7.1. De procedures beantwoorden verschillende vragen
De verschillende rechtsgangen kunnen betrekking hebben op hetzelfde conflict, maar beantwoorden niet dezelfde procesrechtelijke vraag.
Drie rechtsgangen bij hetzelfde geschilBestuursrechter: is de brief of het rechtsoordeel van het college een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, dan wel moet het rechtsoordeel vanwege de noodzaak van effectieve rechtsbescherming met een besluit worden gelijkgesteld? Strafrechter: heeft de ouder artikel 2 Lpw overtreden of bestond voor de betreffende periode daadwerkelijk een wettelijke vrijstelling? Civiele rechter: handelt de gemeente onrechtmatig jegens de ouders en bestaat grond voor een voorlopig of definitief civielrechtelijk verbod, gebod of een verklaring voor recht? |
Het is daarom mogelijk dat dezelfde materiële vraag (of de vrijstelling is ontstaan) in verschillende juridische contexten terugkomt.
7.2. Voorbeeld: bezwaar, hoger beroep bij de Afdeling, strafvervolging én een civiele procedure
Neem het voorbeeld van ouders die op grond van artikel 5 onder b Lpw kennisgeven dat zij zich voor hun kind op een vrijstelling beroepen.
De leerplichtambtenaar schrijft vervolgens namens het college dat volgens hem geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan. De ouders moeten hun kind volgens de brief binnen een bepaalde termijn op een school inschrijven.
De ouders zijn het daarmee niet eens.
Zij maken allereerst bezwaar tegen de brief. Het college verklaart dat bezwaar niet-ontvankelijk omdat volgens de bestaande rechtspraak geen Awb-besluit voorligt. De ouders gaan vervolgens in beroep. De rechtbank volgt de oude Afdelingsrechtspraak en verklaart het beroep ongegrond.
De ouders stellen daarna hoger beroep in bij de Afdeling.
Daar betogen zij niet alleen dat de brief gelet op inhoud en gevolgen op rechtsgevolg is gericht, maar bijvoorbeeld ook subsidiair dat sprake is van een bestuurlijk rechtsoordeel dat vanwege effectieve rechtsbescherming met een besluit moet worden gelijkgesteld. Zij voeren daarbij aan dat de alternatieve rechtsgang inhoudt dat zij juist het gedrag moeten voortzetten waarvan de gemeente stelt dat dit strafbaar is en strafvervolging moeten riskeren voordat zij een inhoudelijk rechterlijk oordeel kunnen verkrijgen.
7.3. Tegelijkertijd kan het Openbaar Ministerie vervolgen en kan aanhouding van de strafzaak aan de orde komen
Wanneer de ouders hun kind ondertussen niet inschrijven, kan de leerplichtambtenaar proces-verbaal opmaken.
Het Openbaar Ministerie kan vervolgens besluiten tot strafvervolging wegens absoluut verzuim.
In die strafprocedure kunnen de ouders zich op het standpunt stellen dat zij artikel 2 Lpw niet hebben overtreden omdat voor hun kind van rechtswege een vrijstelling bestond.
Daarmee ontstaat de bijzondere situatie dat de ouders bij de Afdeling procederen over de vraag of zij vooraf bestuursrechtelijke rechtsbescherming behoren te krijgen, terwijl de strafrechter tegelijkertijd inhoudelijk kan worden gevraagd of de vrijstelling daadwerkelijk bestond.
Dat is niet noodzakelijk tegenstrijdig. Bovendien hoeft de strafrechter niet onder alle omstandigheden onmiddellijk zelf tot een inhoudelijk eindoordeel te komen terwijl over een voor de strafzaak relevante rechtsvraag nog een andere rechterlijke procedure loopt.
De uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016 is daarvoor bijzonder illustratief. In die zaak was proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van de Leerplichtwet en was de moeder strafrechtelijk gedagvaard. Tegelijkertijd liep een civiele procedure over de gestelde vrijstelling. Uit het arrest blijkt dat de strafrechter het onderzoek in de strafzaak voor onbepaalde tijd had geschorst om de uitkomst van het civiele hoger beroep af te wachten.
Voor het afwachten van een oordeel van de burgerlijke rechter bestaat bovendien een uitdrukkelijke wettelijke grondslag in artikel 14 lid 1 Sv. Wanneer de waardering van het ten laste gelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, kan de strafrechter in iedere stand van de vervolging de vervolging voor bepaalde tijd schorsen teneinde de uitspraak van de burgerlijke rechter over dat geschilpunt af te wachten.
Dat is voor de hier besproken samenloop van bijzonder belang. Wanneer in de civiele bodemprocedure bijvoorbeeld voor recht wordt gevorderd dat voor het betreffende schooljaar van rechtswege een vrijstelling bestond, terwijl in de strafzaak juist ten laste is gelegd dat de ouder in datzelfde schooljaar niet aan de inschrijvingsplicht heeft voldaan, kan de uitkomst van het civiele geschil rechtstreeks raken aan de waardering van het ten laste gelegde feit. Artikel 14 lid 1 Sv voorziet juist voor een dergelijke verhouding tussen strafzaak en civiel geschil in de mogelijkheid van schorsing.
Daarbij moet wel een onderscheid worden gemaakt met de parallelle bestuursrechtelijke procedure. Artikel 14 lid 1 Sv spreekt specifiek over een geschilpunt van burgerlijk recht en het afwachten van de uitspraak van de burgerlijke rechter. De bepaling vormt daarom geen rechtstreekse wettelijke grondslag om een strafvervolging te schorsen teneinde een uitspraak van de bestuursrechter of de Afdeling af te wachten.
Dat neemt niet weg dat de verdediging de strafrechter kan verzoeken de behandeling van de strafzaak aan te houden wanneer bij de bestuursrechter een procedure loopt waarvan de uitkomst relevant kan zijn voor de strafzaak. Of de strafrechter zo’n verzoek honoreert, moet echter afzonderlijk worden beoordeeld en volgt niet rechtstreeks uit artikel 14 lid 1 Sv.
Juist wanneer zowel een civiele bodemprocedure als een hoger beroep bij de Afdeling loopt, moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen beide gronden voor uitstel. Voor het afwachten van het civiele oordeel biedt artikel 14 lid 1 Sv een specifieke wettelijke voorziening. Voor het afwachten van het bestuursrechtelijke oordeel zal de noodzaak van aanhouding in de strafprocedure afzonderlijk moeten worden gemotiveerd.
7.4. Daarnaast kan een civiele procedure lopen
Tegelijkertijd met een bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure kunnen de ouders de gemeente civielrechtelijk aanspreken zoals aangegeven.
Wanneer sprake is van spoed, kunnen zij bijvoorbeeld in kort geding een verbod vorderen tegen concrete gemeentelijke handelingen die zijn gebaseerd op het standpunt dat geen vrijstelling bestaat.
Daarnaast kan in een bodemprocedure worden geprobeerd een verklaring voor recht te verkrijgen over de rechtsverhouding en het gestelde onrechtmatige handelen van de gemeente.
Ook dit is niet noodzakelijk tegenstrijdig met het standpunt bij de Afdeling.
Bij de Afdeling stellen de ouders immers:
de bestuursrechter behoort ons effectieve rechtsbescherming te bieden tegen dit bestuurlijke rechtsoordeel.
Bij de civiele rechter kunnen zij tegelijkertijd stellen:
zolang volgens de bestaande bestuursrechtelijke rechtspraak geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, mag de gemeente niet zonder effectieve rechterlijke controle ingrijpende gevolgen aan haar eigen rechtsoordeel verbinden.
En bij de strafrechter stellen zij:
ongeacht welke rechter vooraf rechtsbescherming had moeten bieden, hebben wij geen strafbaar feit gepleegd omdat de wettelijke vrijstelling daadwerkelijk bestond.
Die drie standpunten kunnen juridisch naast elkaar bestaan.
7.5. Civiele en strafrechtelijke procedures hebben daadwerkelijk naast elkaar bestaan
Dat is niet slechts theoretisch.
In de zaak die leidde tot de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016 was tijdens de civiele procedure al proces-verbaal opgemaakt en aan de officier van justitie gezonden.
Er liep vervolgens een strafzaak. De strafrechter schorste het onderzoek zelfs voor onbepaalde tijd om de uitkomst van het civiele hoger beroep af te wachten.
De gepubliceerde rechtspraak levert daarmee concreet bewijs dat civiele en strafrechtelijke procedures over een Leerplichtwetgeschil naast elkaar kunnen lopen.
8. De procedures moeten wel zorgvuldig op elkaar worden afgestemd
8.1. Voorkom tegenstrijdige stellingen
Dat meerdere rechtsgangen naast elkaar kunnen bestaan, betekent niet dat zij zonder onderlinge afstemming moeten worden gevoerd.
De feitelijke stellingen over de kennisgeving, de contacten met de leerplichtambtenaar, de gestelde vrijstellingsgrond en de onderwijspositie van het kind moeten in de verschillende procedures consistent zijn.
Ook juridisch moet duidelijk worden onderscheiden welke rechter om welk oordeel wordt gevraagd.
8.2. Een nieuwe uitspraak van de Afdeling kan de civiele positie veranderen
Wanneer de Afdeling uiteindelijk zou oordelen dat een afwijzend oordeel omtrent artikel 5 Lpw onder bepaalde omstandigheden wél bestuursrechtelijk appellabel is, verandert het juridische speelveld.
Ouders kunnen dan mogelijk rechtstreeks bezwaar, beroep en hoger beroep instellen en eventueel een voorlopige voorziening vragen aan de bestuursrechter.
Dat kan tegelijkertijd betekenen dat de noodzaak van de civiele rechter als restrechter afneemt.
Andersom geldt dat zolang de bestuursrechter vasthoudt aan het oordeel dat geen Awb-rechtsgang openstaat, het argument voor aanvullende civielrechtelijke rechtsbescherming juist sterker kan zijn.
8.3. Een civiele procedure beëindigt de strafzaak niet automatisch, maar kan wel aanleiding geven tot schorsing
Een civiele procedure betekent niet dat een lopende strafzaak automatisch eindigt.
Het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging en de strafrechter beslist over de strafzaak. Een civiel vonnis beëindigt de strafvervolging daarom niet uit zichzelf en de civiele rechter neemt de strafrechtelijke vervolgingsbeslissing niet over.
Dat betekent echter niet dat beide procedures volledig los van elkaar hoeven te worden behandeld.
Artikel 14 lid 1 Sv kan in een Leerplichtwetgeschil echter bijzonder relevant zijn. Stel dat aan een ouder strafrechtelijk wordt verweten dat hij zijn kind in een bepaald schooljaar niet op een school heeft ingeschreven, terwijl bij de burgerlijke rechter juist de vraag voorligt of voor datzelfde kind en hetzelfde schooljaar van rechtswege een vrijstelling van de inschrijvingsplicht bestond. Het antwoord op die civielrechtelijk voorgelegde vraag kan dan nauw samenhangen met de waardering van het strafrechtelijke verwijt.
De wet geeft de strafrechter voor zo’n situatie dus uitdrukkelijk de mogelijkheid om de uitkomst van de civiele procedure af te wachten.
Voor een lopende procedure bij de bestuursrechter ligt dit juridisch anders. Artikel 14 lid 1 Sv ziet naar zijn tekst uitsluitend op een geschilpunt van burgerlijk recht en op het afwachten van de burgerlijke rechter. Uit deze bepaling kan daarom niet worden afgeleid dat de strafrechter op dezelfde wettelijke grondslag verplicht of bevoegd is de uitspraak van de Afdeling af te wachten.
Wel kan de verdediging de strafrechter verzoeken de behandeling van de strafzaak aan te houden wanneer de uitkomst van een lopende bestuursrechtelijke procedure voor de strafzaak van betekenis kan zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden aangevoerd dat de Afdeling op korte termijn juist zal oordelen over de juridische status en appellabiliteit van het oordeel waarop het strafrechtelijke handhavingstraject is gebaseerd en dat gelijktijdige inhoudelijke behandeling het risico van moeilijk met elkaar te verenigen rechterlijke oordelen meebrengt. Of zo’n verzoek wordt toegewezen, is echter aan de strafrechter en moet worden onderscheiden van de specifieke schorsingsregeling van artikel 14 lid 1 Sv.
Voor ouders die tegelijkertijd civielrechtelijk, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk procederen, kan de volgorde waarin de verschillende rechters uitspraak doen daarom van groot praktisch belang zijn.
9. Kort geding, bodemprocedure, bestuursrecht of strafrecht?
9.1. Kort geding bij een onmiddellijke dreiging
Een kort geding kan met name relevant zijn wanneer de gemeente op korte termijn concrete actie verlangt of maatregelen aankondigt.
De sterkste gepubliceerde civiele steun daarvoor is de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015. Daaruit volgt dat een concreet verbod om ouders tot inschrijving te verplichten in kort geding mogelijk is en dat de burgerlijke rechter daarvoor voorlopig de onderliggende rechtsverhouding kan beoordelen.
9.2. Bodemprocedure voor een definitief civiel oordeel
Wanneer ouders een definitief civiel oordeel over hun rechtspositie wensen, kan een bodemprocedure worden ingesteld.
Daarin kan bijvoorbeeld een verklaring voor recht op grond van artikel 3:302 BW worden gevorderd, eventueel in combinatie met een vordering wegens onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW en een gebod of verbod op grond van artikel 3:296 BW.
De mogelijkheid van die bodemprocedure sluit aan bij de specifieke kortgedingrechtspraak over de Leerplichtwet. Uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015 volgt dat de burgerlijke rechter een op onrechtmatig handelen van de gemeente gebaseerde vordering kan behandelen wanneer tegen de betreffende mededelingen geen Awb-rechtsgang openstaat. De uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016 laat eveneens zien dat de civiele rechter het onderliggende Leerplichtwetgeschil inhoudelijk kan beoordelen.
Het verschil is vooral gelegen in de aard van de gevraagde rechtsbescherming. In kort geding wordt een voorlopige voorziening gevraagd en vormt de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel over de onderliggende rechtsverhouding. In een bodemprocedure kan de burgerlijke rechter die rechtsverhouding definitief beoordelen en bijvoorbeeld een verklaring voor recht uitspreken.
De bodemprocedure biedt bovendien meer ruimte voor bewijslevering, getuigen en deskundigenonderzoek wanneer dat voor beantwoording van de vraag naar het bestaan van de vrijstelling noodzakelijk is.
9.3. Bestuursrecht voor de principiële vraag over effectieve rechtsbescherming
De bestuursrechtelijke route is op dit moment vooral van principieel belang.
De vraag is of de Afdeling haar oude Leerplichtwetjurisprudentie handhaaft of deze nader beziet in het licht van haar latere rechtspraak over bestuurlijke rechtsoordelen, punitieve gevolgen en effectieve rechtsbescherming.
De rechtbanken hebben in 2026 vooralsnog vastgehouden aan de bestaande lijn. Daarmee ligt de belangrijkste vervolgvraag bij de Afdeling.
9.4. Strafrecht blijft zolang de oude lijn geldt een belangrijke inhoudelijke toetsingsroute
Zolang de oude bestuursrechtelijke lijn blijft gelden, blijft de strafrechter een belangrijke rechter die inhoudelijk kan beoordelen of de vrijstelling daadwerkelijk bestond.
Het fundamentele bezwaar is echter dat deze rechtsingang pas ontstaat nadat ouders het risico van strafrechtelijke handhaving hebben aanvaard.
Juist dat bezwaar vormt een belangrijk onderdeel van de huidige discussie over bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
Wanneer ondertussen ook een civiele procedure loopt waarin een voor de strafzaak relevant burgerlijkrechtelijk geschilpunt wordt beoordeeld, kan artikel 14 lid 1 Sv bovendien aanleiding bieden om de strafvervolging tijdelijk te schorsen in afwachting van het oordeel van de burgerlijke rechter.
10. Conclusie: ouders zijn niet uitsluitend aangewezen op de strafrechter
De bestaande bestuursrechtelijke rechtspraak gaat ervan uit dat een vrijstelling op grond van artikel 5 Lpw van rechtswege ontstaat wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Omdat het college de vrijstelling niet verleent of weigert, geldt een afwijzend oordeel van de leerplichtambtenaar of het college volgens de bestaande lijn in beginsel niet als Awb-besluit.
Recente rechtbankuitspraken uit 2026 houden voorlopig aan dat uitgangspunt vast.
Daarmee is de discussie echter niet geëindigd. Sinds de oude specifieke Leerplichtwetuitspraken heeft de Afdeling haar algemene rechtspraak over bestuurlijke rechtsoordelen en effectieve rechtsbescherming verder ontwikkeld. In uitzonderlijke situaties kan een rechtsoordeel met een besluit worden gelijkgesteld wanneer het onevenredig bezwarend is om eerst een andere procedure af te wachten of uit te lokken. Voor ouders die anders strafvervolging moeten riskeren om hun juridische standpunt inhoudelijk door een rechter te laten beoordelen, is dat een belangrijk argument.
Tegelijkertijd blijkt uit de civiele rechtspraak dat ouders niet zonder meer uitsluitend op de strafrechter zijn aangewezen.
Met name de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015 is daarvoor belangrijk. Het hof aanvaardde een civiele procedure tegen de gemeente nadat was vastgesteld dat geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstond. Een verbod om ouders tot inschrijving van hun kind te verplichten kan in kort geding worden gevorderd. De uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016 bevestigt dat dergelijke Leerplichtwetgeschillen civielrechtelijk inhoudelijk kunnen worden behandeld en laat bovendien zien dat een civiele procedure naast een strafzaak kan bestaan.
Ook een civiele bodemprocedure behoort tot de mogelijkheden. Artikel 3:302 BW biedt de mogelijkheid om een verklaring voor recht over de rechtsverhouding te vorderen. Artikel 6:162 BW kan de grondslag vormen voor een vordering wegens onrechtmatig overheidshandelen en artikel 3:296 BW voor een daaraan gekoppeld gebod of verbod. De specifieke kortgedingrechtspraak over de Leerplichtwet ondersteunt deze route, omdat daaruit volgt dat de burgerlijke rechter het onderliggende geschil kan beoordelen wanneer geen bestuursrechtelijke rechtsgang beschikbaar is. Waar het kort geding voorlopige rechtsbescherming biedt, kan de bodemrechter worden gevraagd de rechtsverhouding definitief vast te stellen.
Van bijzonder belang is bovendien dat de verschillende procedures elkaar kunnen beïnvloeden. Artikel 14 lid 1 Sv biedt de strafrechter uitdrukkelijk de mogelijkheid de vervolging te schorsen wanneer de waardering van het ten laste gelegde feit afhangt van een burgerrechtelijk geschilpunt en de uitspraak van de burgerlijke rechter moet worden afgewacht. De uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 19 januari 2016 laat zien dat een strafrechter in een Leerplichtwetzaak daadwerkelijk aanleiding heeft gezien een civiele procedure af te wachten.
Voor een parallelle bestuursrechtelijke procedure geldt artikel 14 lid 1 Sv niet rechtstreeks. Wel kan de verdediging de strafrechter verzoeken de behandeling aan te houden wanneer een aanhangige procedure bij de bestuursrechter of de Afdeling voor de strafzaak relevant is. Of dat verzoek wordt toegewezen, is aan de strafrechter.
Voor ouders kan daarom sprake zijn van drie parallelle juridische sporen: bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen het rechtsoordeel van het college, strafrechtelijke verdediging tegen een vervolging wegens absoluut verzuim en civielrechtelijke bescherming tegen concrete handelingen van de gemeente of ter definitieve vaststelling van de rechtsverhouding. Die procedures sluiten elkaar niet uit, maar kunnen elkaar versterken. Zij moeten echter vanwege hun onderlinge invloed zorgvuldig op elkaar worden afgestemd.
Juist wanneer al bezwaar en beroep zijn ingesteld, hoger beroep bij de Afdeling loopt, proces-verbaal is opgemaakt of strafvervolging dreigt en de gemeente tegelijkertijd verlangt dat het kind wordt ingeschreven, is een integrale processtrategie van groot belang. Advocatenkantoor El Hannouche kan ouders adviseren over de Leerplichtwet, de bestuursrechtelijke procedure, een civiel kort geding of bodemprocedure, een verzoek om schorsing of aanhouding van een strafzaak en de verdediging in een eventuele strafprocedure.
Meer informatie of hulp nodig?
Wat zijn de kosten?
Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.
