Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad twee belangrijke arresten gewezen over de vrijstelling van de inschrijvingsplicht op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 (Lpw). De arresten zijn van groot belang voor ouders die op grond van deze vrijstelling hun kinderen thuisonderwijs geven.
In de praktijk worden deze arresten door gemeenten inmiddels gebruikt om bestaande en nieuwe beroepen op artikel 5 onder b Lpw ‘af te wijzen’. De Hoge Raad heeft echter niet geoordeeld dat een beroep op artikel 5 onder b Lpw uitgesloten is. Het ging om strafzaken waarin moest worden beoordeeld of de betrokken ouders met succes een beroep op de wettelijke vrijstelling konden doen. Het lijkt er eerder op dat de Hoge Raad zijn eerdere beoordelingskader heeft willen aanscherpen, in het bijzonder voor bedenkingen tegen openbaar onderwijs.
In dit blog bespreken wij eerst wat de Hoge Raad precies heeft beslist en welke eisen de Leerplichtwet zelf stelt. Daarna komt de bestuursrechtelijke vraag aan bod: wat kunnen thuisonderwijzers doen wanneer het college van burgemeester en wethouders meedeelt dat geen vrijstelling (meer) bestaat. Daarbij bespreken wij ook waarom het, ondanks de bestaande rechtspraak, juridisch zinvol kan zijn om tegen zo’n brief toch tijdig bezwaar te maken.