De Leerplichtwet 1969 (Lpw) verplicht ouders en verzorgers er in beginsel voor te zorgen dat een leerplichtig kind op een school staat ingeschreven. Op deze inschrijvingsplicht bestaan uitzonderingen. Een daarvan is de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder c, Lpw voor een kind dat bij een onderwijsinrichting buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.
Deze vrijstellingsgrond kan bijvoorbeeld van belang zijn voor gezinnen die al dan niet in Nederland wonen, terwijl hun kind onderwijs volgt in het buitenland. De wettelijke regeling roept echter ook vragen op. Wanneer is sprake van een “inrichting van onderwijs”? Wat wordt verstaan onder “geregeld bezoeken”? Is een verklaring van de buitenlandse school voldoende? En kan online onderwijs aan een buitenlandse school eveneens onder deze vrijstelling vallen?
Over artikel 5 onder c Lpw is betrekkelijk weinig gepubliceerde rechtspraak. Met name de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2012 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 december 2013 geven inzicht in de wijze waarop de voorwaarden voor deze vrijstelling in de praktijk worden uitgelegd. In dit blog bespreken wij de wettelijke regeling en illustreren wij aan de hand van deze rechtspraak wanneer een beroep op artikel 5 onder c Lpw wel of niet kan slagen.
1. Vrijstelling voor onderwijs buiten Nederland
1.1. De hoofdregel van de Leerplichtwet
Artikel 2, eerste lid, Lpw bepaalt, kort gezegd, dat degene die het gezag over een jongere uitoefent en degene die zich met de feitelijke verzorging heeft belast, ervoor moeten zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.
De Leerplichtwet kent echter verschillende uitzonderingen op de inschrijvingsplicht. Deze zijn onder meer opgenomen in artikel 5 Lpw. Artikel 5 onder c heeft specifiek betrekking op kinderen die onderwijs volgen buiten Nederland.
1.2. De voorwaarden van artikel 5 onder c Lpw
Op grond van artikel 5, aanhef en onder c, Lpw zijn de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen vrijgesteld van de inschrijvingsplicht zolang de jongere:
- als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven; en
- deze inrichting geregeld bezoekt.
Beide voorwaarden zijn van belang. Alleen een inschrijving bij een buitenlandse onderwijsinstelling is dus niet voldoende. Het kind moet die onderwijsinrichting ook geregeld bezoeken.
Dat laatste vereiste speelt in de rechtspraak een belangrijke rol.
1.3. De kennisgeving aan de gemeente
Artikel 5 onder c Lpw moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 9 Lpw. Artikel 6 bevat voorschriften over de kennisgeving van het beroep op vrijstelling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
Wanneer na de aanvang van de leerplicht aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, moet de kennisgeving in beginsel ieder jaar opnieuw vóór 1 juli worden ingediend.
Het is daarom van belang onderscheid te maken tussen enerzijds de materiële voorwaarden van artikel 5 onder c Lpw en anderzijds de formele voorwaarden voor het doen van een beroep op die vrijstelling.
1.4. De verklaring van de buitenlandse onderwijsinrichting
Artikel 9 Lpw stelt een aanvullende eis. Bij de kennisgeving moet een verklaring van het hoofd van de buitenlandse onderwijsinrichting worden overgelegd waaruit blijkt dat de jongere bij die inrichting als leerling staat ingeschreven en deze geregeld bezoekt.
Een ouder die zich op artikel 5 onder c Lpw wil beroepen, zal dus niet kunnen volstaan met bijvoorbeeld uitsluitend een bewijs van inschrijving.
De verklaring moet betrekking hebben op zowel de inschrijving als het geregeld bezoeken van de buitenlandse onderwijsinrichting.
2. De vrijstelling en de rol van de gemeente
2.1. Geen regulier vergunningstelsel
Een belangrijk juridisch aspect van de vrijstellingen uit de Leerplichtwet is dat het wettelijke systeem niet zonder meer moet worden opgevat als een vergunningstelsel waarbij de gemeente naar eigen inzicht beslist of een ouder vrijstelling krijgt.
Een vrijstelling op grond van artikel 5 onder c Lpw wordt volgens de huidige rechtspraak niet door de leerplichtambtenaar “verleend”. De vrijstelling volgt uit de wet wanneer aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan. De kennisgeving van een beroep op vrijstelling en de reactie van de gemeente of leerplichtambtenaar daarop moeten daarom worden onderscheiden van een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarop een bestuursorgaan een besluit neemt.
Dit onderscheid is belangrijk voor de rechtsbescherming van ouders. Volgens de bestaande rechtspraak kan een mededeling van de gemeente of leerplichtambtenaar dat naar diens oordeel geen rechtsgeldige vrijstelling bestaat, niet zonder meer via de gebruikelijke bestuursrechtelijke weg van bezwaar en beroep worden aangevochten. Daarmee verschilt deze situatie van gevallen waarin een betrokkene een appellabel besluit kan aanvragen of uitlokken en het oordeel van het bestuursorgaan vervolgens door de bestuursrechter kan laten toetsen.
Voor ouders kan dit tot een lastige situatie leiden. Als zij van mening zijn dat de vrijstelling van artikel 5 onder c Lpw wél bestaat, terwijl de leerplichtambtenaar daar anders over denkt, kan de alternatieve route uiteindelijk betekenen dat zij het risico lopen op strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van de Leerplichtwet. In een dergelijke strafprocedure kan de strafrechter vervolgens beoordelen of daadwerkelijk aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. De hiervoor besproken uitspraken over artikel 5 onder c Lpw uit 2012 en 2013 zijn juist in dergelijke strafrechtelijke procedures gewezen.
Deze verdeling van rechtsbescherming staat momenteel echter ter discussie. Bij de bestuursrechter lopen tientallen procedures waarin onder meer de vraag speelt of, en onder welke omstandigheden, een oordeel over een beroep op vrijstelling toch voor bestuursrechtelijke rechtsbescherming in aanmerking komt. De uitkomst daarvan kan van belang zijn voor de vraag welke rechtsgang ouders in de toekomst kunnen volgen wanneer zij met de gemeente of leerplichtambtenaar van mening verschillen over het bestaan van een vrijstelling.
Lees ook: Geen vrijstelling voor thuisonderwijs meer? Dit kunnen ouders doen.
2.2. De rechter kan de voorwaarden zelf toetsen
Het bestaan van een verklaring van een buitenlandse school betekent niet dat daarmee iedere verdere beoordeling is uitgesloten.
Dit volgt duidelijk uit de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2012. Het hof oordeelde dat de verklaring als bedoeld in artikel 9 Lpw weliswaar een voorwaarde is voor het beroep op vrijstelling, maar dat de strafrechter desondanks mag beoordelen of daadwerkelijk aan de materiële voorwaarden voor vrijstelling is voldaan.
Dit betekent dat niet uitsluitend beslissend is wat de buitenlandse onderwijsinrichting in haar verklaring vermeldt. In een strafrechtelijke procedure kan worden onderzocht hoe het onderwijs feitelijk wordt gevolgd en of daadwerkelijk sprake is van geregeld bezoek.
3. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch: online onderwijs is geen geregeld bezoek
3.1. Inschrijving bij de Clonlara School
De uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2012 is van bijzonder belang voor de uitleg van artikel 5 onder c Lpw.
De kinderen in deze zaak stonden ingeschreven bij de Clonlara School in Michigan in de Verenigde Staten. Deze instelling bood onderwijs op afstand aan. De ouders of verzorgers vervulden daarbij een belangrijke rol in het onderwijs en werden ondersteund door adviseurs van de Amerikaanse onderwijsinstelling.
De buitenlandse onderwijsinrichting had een verklaring omtrent de inschrijving en aanwezigheid afgegeven. Volgens de verdediging was daarmee voldaan aan artikel 9 Lpw.
Het hof volgde dat standpunt niet.
3.2. Wat is een inrichting van onderwijs?
Interessant is dat het hof niet oordeelde dat de Clonlara School reeds vanwege haar bijzondere onderwijsvorm buiten artikel 5 onder c Lpw viel.
De Leerplichtwet spreekt in artikel 5 onder c namelijk niet uitsluitend over een “school”, maar over een “inrichting van onderwijs”. De wet geeft geen nadere definitie van dit begrip.
Het hof zag op basis van hetgeen over de Clonlara School bekend was onvoldoende aanleiding om te oordelen dat zij geen inrichting van onderwijs was.
De zaak strandde dus niet op de aard of status van de buitenlandse onderwijsinstelling, maar op een andere wettelijke voorwaarde: het geregeld bezoeken daarvan.
3.3. Geregeld bezoek betekent volgens het hof fysiek bezoek
Het hof onderzocht vervolgens wat onder “geregeld bezoeken” moet worden verstaan.
De kinderen bezochten de school in Michigan niet fysiek. Het onderwijs werd op afstand gevolgd. Volgens de verdediging kon dit worden beschouwd als virtueel bezoek aan de onderwijsinrichting.
Het hof oordeelde anders. Bij de uitleg van artikel 5 onder c Lpw keek het hof naar de achtergrond van de regeling. Volgens het hof zag de wetgever bij deze vrijstellingsgrond in het bijzonder op situaties waarin bijvoorbeeld kinderen in een grensstreek in Nederland wonen maar fysiek een school over de grens bezoeken.
Het hof overwoog vervolgens dat niet blijkt dat de wetgever bij “geregeld bezoek” ook virtueel schoolbezoek voor ogen heeft gehad. Het hof achtte daarbij mede van belang dat een ruime uitleg ertoe zou kunnen leiden dat via een buitenlandse online onderwijsinstelling feitelijk thuisonderwijs in Nederland wordt gerealiseerd.
Het hof legde “geregeld bezoek” daarom uit als bezoek in fysieke zin. Omdat de betrokken kinderen de Amerikaanse onderwijsinrichting niet fysiek bezochten, werd het beroep op artikel 5 onder c Lpw verworpen.
Voorbeeld: buitenlandse online schoolEen kind woont in Nederland en staat ingeschreven bij een buitenlandse onderwijsinstelling. Het kind volgt vanuit huis dagelijks online lessen van die instelling. Alleen het feit dat het kind formeel is ingeschreven en daadwerkelijk digitaal onderwijs volgt, betekent op grond van de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uit 2012 nog niet dat is voldaan aan het vereiste dat de buitenlandse onderwijsinrichting “geregeld” wordt bezocht. Het hof heeft dit vereiste uitgelegd als fysiek bezoek. |
4. Rechtbank Midden-Nederland: af en toe fysiek schoolbezoek is onvoldoende
4.1. Een combinatie van fysiek en online onderwijs
Een jaar later kwam een vergelijkbare vraag aan de orde bij de rechtbank Midden-Nederland. In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 december 2013 beriep een ouder zich eveneens op artikel 5 onder c Lpw.
De kinderen stonden geregistreerd bij een onderwijsinstelling in Engeland. Uit de stukken bleek onder meer dat zij gedurende een bepaalde week daadwerkelijk op de buitenlandse school aanwezig waren geweest. Voor het overige werd onderwijs op afstand gevolgd, waarbij onder meer via Skype contact met docenten plaatsvond.
Deze zaak verschilde daarmee van de zaak die het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in 2012 had beoordeeld. In die eerdere zaak was in het geheel geen sprake geweest van fysiek schoolbezoek.
4.2. Incidenteel fysiek bezoek is niet hetzelfde als geregeld bezoek
Dat verschil leidde echter niet tot een andere uitkomst.
De kantonrechter nam de uitleg van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch over. Volgens de kantonrechter voldeed ook het af en toe gedurende een week bezoeken van de buitenlandse school niet aan het wettelijke vereiste van “geregeld bezoek”.
Het beroep op artikel 5 onder c Lpw werd daarom verworpen.
Deze uitspraak laat zien dat voor de beoordeling niet alleen relevant is óf een kind de buitenlandse onderwijsinrichting fysiek bezoekt. Ook de regelmaat van dat bezoek is van belang.
4.3. Ook hier was de verklaring van de school niet beslissend
Ook de rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat een verklaring van de buitenlandse onderwijsinrichting de rechter niet verhindert te onderzoeken wat feitelijk heeft plaatsgevonden.
In de procedure waren verschillende verklaringen van de buitenlandse school ingebracht. Daaruit bleek onder meer dat de kinderen bij de school geregistreerd waren, dat aanwezigheid volgens de school verplicht was en dat zij gedurende een bepaalde week daadwerkelijk aanwezig waren geweest.
Dat was voor de kantonrechter niet voldoende. De rechter toetste zelfstandig of het feitelijke patroon van schoolbezoek kon worden aangemerkt als “geregeld bezoeken” in de zin van artikel 5 onder c Lpw.
5. Buitenlands onderwijs is iets anders dan tijdelijk verlof
5.1. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
Een andere relevante afbakening volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 mei 2007.
In deze zaak was extra schoolverlof gevraagd voor een kind dat op een Nederlandse school stond ingeschreven. Anders dan bij een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder c Lpw, was de beslissing op dit verlofverzoek wél een besluit in de zin van de Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstond.
Tijdens het verblijf in Iran had het kind in deze zaak gedurende een periode onderwijs gevolgd aan een school aldaar. De ouder beriep zich daarom op artikel 5 onder c Lpw. De Afdeling maakte echter duidelijk dat deze bepaling betrekking heeft op vrijstelling van de Nederlandse inschrijvingsplicht, terwijl de procedure ging over tijdelijk verlof van een Nederlandse school waarop het kind al stond ingeschreven. Artikel 5 onder c Lpw kon daarom in deze procedure geen grond bieden voor het verlangde verlof.
5.2. Onderscheid tussen vrijstelling en verlof
Voor ouders is dit onderscheid belangrijk.
Artikel 5 onder c Lpw is niet zonder meer een regeling waarmee tijdens een lopende inschrijving op een Nederlandse school toestemming kan worden verkregen om gedurende enige tijd in het buitenland onderwijs te volgen.
De bepaling ziet op vrijstelling van de verplichting ervoor te zorgen dat het kind op een Nederlandse school of instelling staat ingeschreven. Tijdelijke afwezigheid van een Nederlandse school valt onder een ander wettelijk regime.
Voorbeeld: enkele weken onderwijs in het buitenlandEen kind staat ingeschreven op een Nederlandse school. De ouders willen gedurende enkele weken in het buitenland verblijven en schrijven het kind voor die periode in bij een lokale school. Dat het kind in het buitenland onderwijs ontvangt, betekent niet automatisch dat artikel 5 onder c Lpw recht geeft op tijdelijk verlof van de Nederlandse school. Vrijstelling van de inschrijvingsplicht en verlof van een school zijn juridisch verschillende onderwerpen. |
6. Wat betekent artikel 5 onder c Lpw in de praktijk?
6.1. Alleen inschrijving bij een buitenlandse school is niet voldoende
Uit de wet en de besproken rechtspraak volgt allereerst dat een formele inschrijving bij een buitenlandse onderwijsinstelling op zichzelf niet voldoende is.
De jongere moet de onderwijsinrichting ook geregeld bezoeken. Daarnaast moet bij de kennisgeving de in artikel 9 Lpw bedoelde verklaring worden overgelegd.
6.2. Fysiek schoolbezoek speelt een doorslaggevende rol
Uit de besproken rechtspraak volgt dat “geregeld bezoeken” strikt is uitgelegd.
Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft in 2012 geoordeeld dat uitsluitend virtueel onderwijs vanuit Nederland niet voldoende is. De rechtbank Midden-Nederland heeft vervolgens in 2013 geoordeeld dat ook af en toe gedurende een week fysiek bezoek, gecombineerd met onderwijs op afstand, niet voldoende was.
Deze rechtspraak is inmiddels meer dan tien jaar oud. Dat is relevant, omdat digitaal, internationaal en hybride onderwijs zich sindsdien sterk hebben ontwikkeld. De besproken uitspraken geven de gepubliceerde rechtspraak over artikel 5 onder c Lpw weer, maar daarmee is niet gezegd dat iedere hedendaagse vorm van internationaal of hybride onderwijs zonder meer op dezelfde wijze moet worden beoordeeld. De concrete omstandigheden blijven van belang.
6.3. De feitelijke situatie is bepalend
De rechtspraak laat verder zien dat de rechter zich niet noodzakelijk beperkt tot de formele documenten.
Een verklaring van de buitenlandse onderwijsinstelling is op grond van artikel 9 Lpw noodzakelijk, maar de rechter kan vervolgens zelfstandig onderzoeken of daadwerkelijk sprake is geweest van geregeld schoolbezoek.
Voor ouders die een beroep op artikel 5 onder c Lpw overwegen, is het daarom van belang dat niet alleen de administratie op orde is, maar ook de feitelijke wijze waarop het onderwijs wordt gevolgd aansluit bij de wettelijke voorwaarden.
7. Andere gevolgen van langdurig verblijf in het buitenland
Een beroep op artikel 5 onder c Lpw kan samenhangen met een situatie waarin een kind en soms ook de ouders gedurende langere perioden in het buitenland verblijven. De vraag of aan de Leerplichtwet wordt voldaan, staat echter los van de vraag waar iemand voor andere Nederlandse wetgeving geacht wordt te wonen.
Ouders doen er daarom verstandig aan niet alleen naar de Leerplichtwet te kijken. Langdurig verblijf in het buitenland kan onder meer gevolgen hebben voor de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP), de zorgverzekering, belastingen, toeslagen, uitkeringen, kinderbijslag en de opbouw van AOW.
Let op bij langdurig verblijf in het buitenlandBRP: wie gedurende een periode van één jaar naar verwachting ten minste twee derde van de tijd – dus meer dan acht maanden – buiten Nederland verblijft, moet het vertrek naar het buitenland bij de gemeente melden. De acht maanden hoeven niet aaneengesloten te zijn. Ook het aanhouden van een woning in Nederland neemt deze verplichting niet weg. De registratie in de BRP verandert vervolgens van ingezetene naar niet-ingezetene. Zorgverzekering: de grens van acht maanden voor de BRP is niet automatisch de grens voor de Nederlandse zorgverzekering. Of iemand de Nederlandse zorgverzekering moet of mag aanhouden, hangt onder meer samen met de vraag of hij of zij verzekerd blijft voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij langdurig verblijf, wonen of werken in het buitenland kan de verzekeringspositie veranderen. Wie niet meer voor de Wlz verzekerd is, kan in beginsel ook geen reguliere Nederlandse zorgverzekering aanhouden. De feitelijke woon- en werksituatie en het betrokken land zijn daarbij van belang. Bij twijfel kan de Sociale Verzekeringsbank worden gevraagd de Wlz-verzekeringspositie te onderzoeken. Belastingen: uitschrijving uit de BRP betekent niet automatisch dat iemand ook voor de inkomstenbelasting geen fiscaal inwoner van Nederland meer is. De fiscale woonplaats wordt bepaald aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Onder meer de verblijfplaats van het gezin, de woning, werkzaamheden en andere persoonlijke en economische banden kunnen daarbij van belang zijn. Wie fiscaal in een ander land woont maar inkomsten of vermogen in Nederland behoudt, kan daarnaast in Nederland buitenlands belastingplichtig zijn. Een belastingverdrag kan vervolgens bepalen welk land over bepaalde inkomsten belasting mag heffen. Uitkeringen en toeslagen: wonen of langdurig verblijven in het buitenland kan gevolgen hebben voor Nederlandse uitkeringen en toeslagen. Sommige uitkeringen kunnen onder voorwaarden naar het buitenland worden meegenomen, terwijl andere uitkeringen kunnen eindigen. Zo kan Nederlandse bijstand in beginsel niet worden behouden na verhuizing naar het buitenland. Voor bijvoorbeeld een WW-, WIA- of andere UWV-uitkering gelden afzonderlijke regels. Ook bij toeslagen moet per toeslag worden beoordeeld of bij wonen in het buitenland nog recht bestaat. Kinderbijslag: wonen buiten Nederland kan gevolgen hebben voor de verzekering voor de Nederlandse kinderbijslag. Er bestaan echter uitzonderingen, bijvoorbeeld afhankelijk van waar een ouder werkt en van de toepasselijke internationale regels. Bij tijdelijk verblijf in het buitenland kan de Nederlandse verzekering onder omstandigheden blijven bestaan. De Sociale Verzekeringsbank beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden waar iemand woont en of iemand verzekerd is. AOW: wonen of werken in het buitenland kan gevolgen hebben voor de latere AOW. Voor ieder jaar waarin iemand verzekerd is voor de AOW wordt 2% van een volledige AOW opgebouwd. Perioden waarin iemand vanwege wonen of werken in het buitenland niet voor de AOW verzekerd is, kunnen daardoor leiden tot een lagere AOW. In bepaalde gevallen kan vrijwillige voortzetting van de AOW-verzekering mogelijk zijn. Buitenlandse regels: naast de Nederlandse regelgeving kunnen verplichtingen ontstaan in het land waar het gezin feitelijk verblijft. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan inschrijving bij lokale autoriteiten, verblijfsrecht, belastingplicht, ziektekostenverzekering en de lokale regels over leerplicht en onderwijs. Een vrijstelling op grond van artikel 5 onder c Lpw betekent dus niet dat een gezin zonder verdere gevolgen gedurende langere tijd buiten Nederland kan verblijven terwijl het voor alle andere regelingen als inwoner van Nederland wordt behandeld. Iedere regeling kent eigen voorwaarden. Ouders die vanwege buitenlands onderwijs veel of langdurig buiten Nederland verblijven, doen er daarom verstandig aan hun positie voor deze verschillende regelingen afzonderlijk te onderzoeken. |
8. Conclusie
8.1. Voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 5 onder c Lpw
Artikel 5 onder c Lpw biedt een vrijstelling van de Nederlandse inschrijvingsplicht voor een jongere die als leerling bij een onderwijsinrichting buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt. Voor een beroep op deze vrijstelling gelden daarnaast de formele eisen van onder meer de artikelen 6 en 9 Lpw.
De rechtspraak maakt duidelijk dat met name het vereiste van “geregeld bezoeken” van belang is. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat virtueel onderwijs vanuit Nederland niet als geregeld bezoek in de zin van artikel 5 onder c Lpw kan worden beschouwd. De rechtbank Midden-Nederland heeft vervolgens geoordeeld dat incidenteel fysiek bezoek aan een buitenlandse school in combinatie met afstandsonderwijs evenmin voldoende hoeft te zijn.
8.2. Oude rechtspraak tegenover nieuwe vormen van online onderwijs
Daarbij moet worden bedacht dat deze rechtspraak inmiddels tamelijk oud is. De belangrijkste uitspraken over online onderwijs en het begrip “geregeld bezoeken” dateren uit 2012 en 2013. Ook de Leerplichtwet zelf dateert uit 1969. Sindsdien is de wijze waarop onderwijs kan worden aangeboden ingrijpend veranderd. Online lessen, digitaal onderwijs, hybride onderwijs en onderwijs op afstand maken het tegenwoordig mogelijk om vanuit Nederland intensief en structureel deel te nemen aan onderwijs dat door een buitenlandse onderwijsinstelling wordt verzorgd. De huidige tekst van artikel 5 onder c Lpw geeft geen afzonderlijke regeling voor dergelijke onderwijsvormen.
Tegelijkertijd is er momenteel volop beweging rond de vrijstellingsgronden van de Leerplichtwet. Met name artikel 5 onder b Lpw, de vrijstelling wegens richtingsbedenkingen, staat nadrukkelijk in de belangstelling. De discussie daarover heeft inmiddels ook aanleiding gegeven tot een bredere verkenning van de toekomst van de Leerplichtwet. Tegen die achtergrond is goed voorstelbaar dat uiteindelijk ook opnieuw wordt gekeken naar artikel 5 onder c Lpw en naar de vraag of het vereiste van “geregeld bezoeken” nog voldoende aansluit bij hedendaagse vormen van internationaal, digitaal en hybride onderwijs. Zolang de wet niet is gewijzigd en geen nieuwe richtinggevende rechtspraak is verschenen, moeten ouders echter rekening houden met de bestaande rechtspraak waarin daadwerkelijk fysiek bezoek aan de buitenlandse onderwijsinrichting centraal staat.
Lees ook: Wanneer is thuisonderwijs toegestaan?
Lees ook: Geen vrijstelling voor thuisonderwijs meer? Dit kunnen ouders doen.
8.3. Vrijstelling, tijdelijk verlof en andere gevolgen van verblijf in het buitenland
Daarnaast moet artikel 5 onder c Lpw worden onderscheiden van de regels over tijdelijk verlof van een Nederlandse school. Het tijdelijk volgen van onderwijs in het buitenland levert niet automatisch een vrijstelling of recht op verlof op.
Voor ouders die hun kind onderwijs in het buitenland willen laten volgen, kunnen de juridische gevolgen aanzienlijk zijn. Niet alleen moet vooraf worden beoordeeld of aan de voorwaarden van de Leerplichtwet wordt voldaan. Wanneer het gezin voor het buitenlandse onderwijs veel of langdurig buiten Nederland verblijft, kunnen ook gevolgen ontstaan voor onder meer de BRP-inschrijving, zorgverzekering, fiscale woonplaats, sociale verzekeringen, AOW-opbouw, kinderbijslag, uitkeringen, toeslagen etc.
8.4. Juridisch advies over vrijstelling van de leerplicht
Het is daarom verstandig om vooraf zowel de positie onder de Leerplichtwet als de gevolgen van een langdurig verblijf in het buitenland zorgvuldig in kaart te brengen. Zeker bij online of hybride onderwijs van een buitenlandse onderwijsinstelling kan discussie ontstaan over de vraag of aan het wettelijke vereiste van “geregeld bezoeken” wordt voldaan.
Advocatenkantoor El Hannouche kan ouders adviseren over een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder c Lpw, de correspondentie met de leerplichtambtenaar of gemeente en juridische procedures over de Leerplichtwet.
Meer informatie of hulp nodig?
Wat zijn de kosten?
Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.
