Geen vrijstelling voor thuisonderwijs meer? Dit kunnen ouders doen

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad twee belangrijke arresten gewezen over de vrijstelling van de inschrijvingsplicht op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 (Lpw). De arresten zijn van groot belang voor ouders die op grond van deze vrijstelling hun kinderen thuisonderwijs geven.

In de praktijk worden deze arresten door gemeenten inmiddels gebruikt om bestaande en nieuwe beroepen op artikel 5 onder b Lpw ‘af te wijzen’. De Hoge Raad heeft echter niet geoordeeld dat een beroep op artikel 5 onder b Lpw uitgesloten is. Het ging om strafzaken waarin moest worden beoordeeld of de betrokken ouders met succes een beroep op de wettelijke vrijstelling konden doen. Het lijkt er eerder op dat de Hoge Raad zijn eerdere beoordelingskader heeft willen aanscherpen, in het bijzonder voor bedenkingen tegen openbaar onderwijs.

In dit blog bespreken wij eerst wat de Hoge Raad precies heeft beslist en welke eisen de Leerplichtwet zelf stelt. Daarna komt de bestuursrechtelijke vraag aan bod: wat kunnen thuisonderwijzers doen wanneer het college van burgemeester en wethouders meedeelt dat geen vrijstelling (meer) bestaat. Daarbij bespreken wij ook waarom het, ondanks de bestaande rechtspraak, juridisch zinvol kan zijn om tegen zo’n brief toch tijdig bezwaar te maken.

1. De arresten van de Hoge Raad van 21 april 2026

1.1. Vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Leerplichtwet

Artikel 2 Lpw verplicht degene die het gezag over een jongere uitoefent en degene die zich met de feitelijke verzorging heeft belast er in beginsel voor te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school geregeld bezoekt.

Artikel 5, aanhef en onder b, Lpw bevat een van de vrijstellingsgronden. De in artikel 2 bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting tot inschrijving zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden overwegende bedenkingen hebben.

Die wettelijke vrijstelling is in de praktijk de belangrijkste juridische grondslag voor thuisonderwijs door thuisonderwijsgezinnen die zich beroepen op richtingsbezwaren.

1.2. Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658

In de eerste uitspraak van de Hoge Raad van 21 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:658) ging het om een vader die vanuit zijn geloofsovertuiging, Tasawwuf, bedenkingen had tegen de richting van het onderwijs op alle scholen binnen redelijke afstand van zijn woning.

Het gerechtshof had zijn bedenkingen tegen onder meer islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen voldoende concreet en zwaarwegend geacht. Zijn beroep op de vrijstelling strandde echter op de openbare scholen.

1.2.1. Nieuwe maatstaf voor openbare scholen?

Het enkele gegeven dat openbaar onderwijs neutraal is en niet de eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging van de ouders uitdraagt, is volgens de Hoge Raad echter onvoldoende.

Voor openbare scholen moet komen vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand, voor zover dat onderwijs godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke onderwerpen betreft, niet op een objectieve, kritische en pluralistische wijze wordt aangeboden.

Volgens de Hoge Raad zal daardoor een beroep op de vrijstelling, voor zover het openbaar onderwijs betreft, in de praktijk nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen slagen.

1.2.2. Geen afschaffing van artikel 5 onder b Lpw

Dit is een vergaande aanscherping van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, maar juridisch iets anders dan het afschaffen van artikel 5 onder b Lpw, hetgeen bovendien ook aan de wetgever zou zijn en niet aan de Hoge Raad. De wettelijke vrijstellingsgrond bestaat daarom nog steeds. Evenmin heeft de Hoge Raad beslist dat thuisonderwijs als zodanig niet toegestaan zou zijn.

Het arrest betreft de uitleg van de bestaande wettelijke vrijstellingsgrond in een strafrechtelijke procedure. Dat onderscheid is belangrijk wanneer gemeenten aan het arrest verdergaande bestuursrechtelijke gevolgen verbinden.

1.3. Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:659

De parallelle zaak betrof het de moeder van hetzelfde kind. In de tweede uitspraak van de Hoge Raad van 21 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:659) sloot de Hoge Raad rechtstreeks aan bij zijn eerste uitspraak onder nummer ECLI:NL:HR:2026:658 en verwierp hij ook het cassatieberoep van de moeder.

De inhoudelijke rechtsontwikkeling moet daarom vooral worden gezocht in ECLI:NL:HR:2026:658. Beide arresten behoren evenwel in samenhang te worden gelezen.

Lees ook: Wanneer is thuisonderwijs toegestaan?

2. Welke eisen stelt de Leerplichtwet zelf?

2.1. De wet kent een systeem van kennisgeving

De betekenis van de nieuwe strafrechtelijke rechtspraak moet worden onderscheiden van de eisen die de Leerplichtwet zelf stelt. De artikelen 5, 6 en 8 Lpw zijn opgebouwd rond een kennisgeving van het beroep op vrijstelling.

Voor een beroep op artikel 5 onder b gelden op grond van de huidige wettelijke regeling de volgende voorwaarden:

  1. Kennisgeving aan het college: de ouders moeten aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind in de basisregistratie personen staat ingeschreven kennisgeven dat zij zich op een vrijstelling beroepen. In de praktijk wordt een dergelijke kennisgeving doorgaans gezonden aan de leerplichtambtenaar.
  2. Gegevens van het kind: de wettelijk voorgeschreven persoonsgegevens (burgerservicenummer, naam, geboortedatum, geslacht en adres) moeten in de kennisgeving worden opgenomen en vermeld moet worden of eerder een beroep op vrijstelling is gedaan.
  3. Vermelding van de vrijstellingsgrond: voor richtingbezwaren moet worden vermeld dat een beroep wordt gedaan op de vrijstelling genoemd in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw.
  4. Tijdige eerste kennisgeving: wanneer het beroep betrekking heeft op het moment waarop het kind leerplichtig wordt, moet de kennisgeving ten minste één maand vóór het begin van de leerplicht worden gedaan. De leerplicht vangt aan op de eerste schooldag van de maand die volgt op de maand waarin het kind vijf jaar wordt. Wordt een in Utrecht wonend kind bijvoorbeeld op 3 augustus 2026 vijf jaar, dan vangt de leerplicht aan op dinsdag 1 september 2026. De kennisgeving moet in dat geval dus uiterlijk op 1 augustus 2026 zijn gedaan.
  5. Jaarlijkse kennisgeving: zolang vervolgens aanspraak op de vrijstelling wordt gemaakt, moet vóór 1 juli opnieuw een kennisgeving worden gedaan.
  6. Verklaring betreffende alle relevante scholen: artikel 8 lid 1 Lpw verlangt de verklaring dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand gelegen scholen waarop het kind geplaatst zou kunnen worden overwegende bedenkingen bestaan. De wet en rechtspraak kennen hiervoor geen vaste kilometergrens. In de huidige uitvoeringspraktijk hanteert de VNG als richtsnoer 6 kilometer voor het primair onderwijs en 20 kilometer voor het voortgezet onderwijs. Deze afstanden zijn echter niet absoluut; wat een redelijke afstand is, kan afhangen van de omstandigheden van het geval.
  7. Geen eerdere plaatsing op een school van de bestreden richting: artikel 8 lid 2 Lpw bepaalt dat de verklaring niet geldig is wanneer het kind in het jaar vóór de dagtekening van de kennisgeving geplaatst is geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen bestaan. Volgens de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3864) ziet het begrip ‘school’ in artikel 8 lid 2 Lpw naar voorlopig oordeel uitsluitend op scholen in Nederland. Eerdere plaatsing op bijvoorbeeld een school in het buitenland staat volgens deze uitspraak daarom niet aan een geldig beroep op de vrijstelling in de weg.

2.2. De wet schrijft geen uiteenzetting van richtingsbezwaren voor

Opvallend is dat artikel 8 Lpw voor de kennisgeving spreekt over een verklaring dat overwegende bedenkingen tegen de richting bestaan. De wet schrijft niet uitdrukkelijk voor dat ouders jaarlijks in hun kennisgeving een volledige inhoudelijke uiteenzetting van hun godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging en alle afzonderlijke richtingbezwaren moeten opnemen.

Daar staat tegenover dat de strafrechter in de rechtspraak wel inhoudelijk toetst wat de aangevoerde bedenkingen zijn en of deze juridisch als bedenkingen tegen de richting van het onderwijs kunnen worden gekwalificeerd.

Dit verschil tussen enerzijds het wettelijke kennisgevingssysteem en anderzijds het door de strafrechter ontwikkelde materiële toetsingskader is voor een goed begrip van de huidige discussie essentieel.

3. De inhoudelijke beoordeling door de strafrechter

3.1. Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925

Een belangrijke uitspraak vóór de arresten van 2026 is de uitspraak van de Hoge Raad van 17 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1925).

Daarin heeft de Hoge Raad het destijds bestaande toetsingskader uiteengezet. De rechter moet beoordelen of de bezwaren daadwerkelijk betrekking hebben op de “richting” van het onderwijs. Onder richting wordt verstaan een fundamentele oriëntatie die is ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Voor overwegende bedenkingen moeten ernstige gemoedsbezwaren bestaan die daarop berusten.

De bedenkingen moeten bovendien voldoende duidelijk worden uiteengezet om de rechter in staat te stellen te beoordelen waarop zij betrekking hebben. Bezwaren tegen bijvoorbeeld de leerplicht als zodanig, het soort onderwijs of de wettelijke inrichting van het onderwijs zijn niet zonder meer richtingbezwaren.

3.2. Verdere ontwikkeling vóór 2026

Deze rechtspraak is nadien verder ontwikkeld, onder meer in de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1157). Daarbij gold reeds dat de rechter terughoudend moet zijn met een inhoudelijke waardering van de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging zelf.

De arresten van 21 april 2026 bouwen daarop voort, maar voegen specifiek voor openbare scholen de eis toe van niet-objectieve, niet-kritische of niet-pluralistische kennis- en informatieoverdracht.

3.3. Twee verschillende juridische vragen

Daarmee moeten twee vragen uit elkaar worden gehouden:

  • de materiële vraag of een thuisonderwijsgezin daadwerkelijk voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw.
  • de bestuursrechtelijke vraag of het college bevoegd is daarover zelf een bindende beslissing te nemen en of tegen een dergelijke beslissing bezwaar en beroep mogelijk is.

Juist die tweede vraag is door de arresten van de Hoge Raad niet beslist. De arresten zijn immers gewezen door de strafkamer.

4. De vrijstelling wordt niet door de gemeente verleend

4.1. Afdeling 12 september 2001: geen bevoegdheid tot inhoudelijke beslissing

Voor de bestuursrechtelijke positie is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD7672) van bijzonder belang.

In die zaak had een leerplichtambtenaar een ouder in overweging gegeven haar kinderen alsnog op een school in te schrijven en aangekondigd dat bij het uitblijven daarvan proces-verbaal zou worden opgemaakt. De Afdeling oordeelde dat burgemeester en wethouders niet bevoegd waren om naar aanleiding van een kennisgeving op grond van artikel 5 onder b een inhoudelijke beslissing te nemen.

Volgens de Afdeling vloeit de vrijstelling rechtstreeks uit artikel 5 onder b Lpw voort indien aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten is voldaan. De betreffende brief werd daarom aangemerkt als een mededeling van informatieve aard in het kader van de feitelijke handhaving en niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb (Algemene wet bestuursrecht).

4.2. Afdeling 15 februari 2006: ook een afwijzende brief was geen besluit

Dezelfde lijn komt terug in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV1825).

In die zaak had het bestuursorgaan niet alleen meegedeeld dat geen vrijstelling bestond, maar tevens dat sprake bleef van absoluut verzuim. Toch hield de Afdeling vast aan het uitgangspunt dat het bestuursorgaan niet bevoegd was de vrijstelling inhoudelijk te verlenen of te weigeren.

4.3. Afdeling 18 maart 2009 bevestigt de lijn

Ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH6321) past in deze lijn.

Het college had daar meegedeeld dat het beroep op vrijstelling niet aan de wettelijke eisen voldeed en dat de kinderen daarom moesten worden ingeschreven en regelmatig een school moesten bezoeken. De Afdeling bleef bij het oordeel dat een dergelijke mededeling geen besluit was omdat het rechtsgevolg niet door het college, maar rechtstreeks door de Leerplichtwet wordt bepaald.

4.4. Rechtbank Midden-Nederland houdt in 2026 vast aan de oude lijn

De discussie is in 2026 opnieuw aan de bestuursrechter voorgelegd. In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3864) had een ouder bezwaar gemaakt tegen een mededeling van de leerplichtambtenaar dat volgens hem geen vrijstelling bestond.

De rechtbank hield vast aan de bestaande bestuursrechtelijke lijn. De vrijstelling vloeit volgens deze rechtspraak rechtstreeks uit de wet voort en het college heeft geen bevoegdheid om haar te verlenen of te weigeren. Om die reden kwalificeerde de betreffende brief niet als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

Dat is daarmee tot op heden de specifieke bestuursrechtelijke lijn over artikel 5 onder b Lpw.

4.5. Is de discussie hiermee ook beëindigd?

De oudere Afdelingsrechtspraak dateert grotendeels uit 2001, 2006 en 2009. Sindsdien heeft de Afdeling haar algemene rechtspraak over het besluitbegrip, gepretendeerde bevoegdheden, bestuurlijke rechtsoordelen, waarschuwingen en effectieve rechtsbescherming aanzienlijk verder ontwikkeld.

De vraag is daarom gerechtvaardigd of de brieven die colleges thans aan thuisonderwijzers sturen nog steeds onder alle omstandigheden op dezelfde wijze moeten worden beoordeeld. Dat geldt in het bijzonder voor brieven waarin wordt meegedeeld dat geen beroep (meer) kan worden gedaan op de vrijstelling van artikel 5 onder b Lpw, of dat dit slechts mogelijk is na inhoudelijke onderbouwing van de richtingbezwaren aan de hand van het door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 april 2026 geformuleerde toetsingskader.

Dat geldt temeer wanneer het college naar aanleiding van de arresten van 21 april 2026 niet alleen een juridisch oordeel geeft, maar een bestaande positie herbeoordeelt, een einddatum stelt, concrete medewerking verlangt en gevolgen voor registratie of handhaving aankondigt.

Lees ook: Vrijstelling Leerplichtwet afgewezen: naar de civiele rechter?

5. Waarom een gemeentelijke brief toch een besluit kan zijn

5.1. De inhoud en strekking van de brief zijn beslissend

Artikel 1:3 Awb vereist voor een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Daarbij is niet doorslaggevend of boven een brief het woord “besluit” staat of dat een rechtsmiddelenclausule is opgenomen.

Relevant is wat de brief naar inhoud en strekking daadwerkelijk doet.

Dat uitgangspunt vindt steun in bredere bestuursrechtelijke rechtspraak waarin niet de vorm van het schrijven, maar het daarmee beoogde rechtsgevolg doorslaggevend is.

5.2. Wanneer gaat een brief verder dan informeren?

Een nieuwe beoordeling ligt meer voor de hand wanneer een gemeentelijke brief bijvoorbeeld:

  • vaststelt dat een tot dan toe bestaande vrijstellingspositie met ingang van een bepaalde datum eindigt;
  • bepaalt dat het thuisonderwijskind vanaf een bepaald schooljaar moet zijn ingeschreven;
  • een concrete overgangs- of hersteltermijn stelt;
  • van de ouders verlangt dat zij gedurende die termijn actief naar een school zoeken of de inschrijving voorbereiden;
  • de administratieve positie of registratie van het thuisonderwijskind wijzigt;
  • registratie als absoluut verzuim aan het nieuwe standpunt verbindt; of
  • aankondigt dat na een bepaalde datum een handhavingstraject of proces-verbaal volgt.

In zo’n situatie kan worden verdedigd dat niet slechts een juridisch oordeel wordt gegeven, maar dat het bestuursorgaan zelf beoogt de concrete positie van ouders en kind te veranderen.

Voorbeeld

Een thuisonderwijsgezin heeft gedurende meerdere jaren jaarlijks kennisgegeven van een beroep op artikel 5 onder b Lpw en is administratief als vrijgesteld behandeld.

Na de arresten van 21 april 2026 schrijft het college dat de situatie “opnieuw is beoordeeld”, dat de vrijstellingspositie eindigt, dat één schooljaar als overgangsperiode geldt, dat ouders in die periode actief een onderwijsplek moeten zoeken en dat het kind daarna ingeschreven moet zijn en daadwerkelijk een school moet bezoeken.

Een dergelijke brief bevat aanzienlijk meer dan uitsluitend algemene informatie over de uitleg van artikel 5 onder b Lpw en verdedigd kan dus worden dat wel degelijk sprake is van een besluit in de zit van de Awb.

5.3. Een onbevoegd genomen beslissing kan toch een besluit zijn

Een belangrijk argument is vervolgens dat het ontbreken van een wettelijke bevoegdheid niet altijd betekent dat geen besluit kan bestaan.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW1297) oordeelde de Afdeling dat een schriftelijke beslissing als publiekrechtelijk op rechtsgevolg gericht kan gelden wanneer het bestuursorgaan, hoewel het de bevoegdheid mist om dat rechtsgevolg tot stand te brengen, dat rechtsgevolg wel heeft beoogd in het kader van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid.

Die lijn is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC9067). De Afdeling benadrukte ook daar dat een beslissing een besluit kan zijn als een bestuursorgaan onbevoegd, maar vanuit een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid, een rechtsgevolg probeert te bewerkstelligen.

5.3.1. Toepassing op een brief van de leerplichtambtenaar

Daarmee ontstaat een relevant argument tegen een college dat enerzijds stelt niet bevoegd te zijn om vrijstelling te “verlenen”, maar anderzijds wél schriftelijk verklaart dat een bestaande vrijstellingspositie wordt beëindigd, dat ouders aan concrete verplichtingen moeten voldoen en dat het thuisonderwijskind vanaf een bepaalde datum naar school moet.

Men kan dan betogen: wanneer het bestuursorgaan zelf doet alsof het bevoegd is deze concrete rechtsgevolgen te bepalen, moet de brief worden beoordeeld aan de hand van de rechtspraak over de gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid.

Dat argument wijkt wezenlijk af van de stelling dat het college wél bevoegd zou zijn om de wettelijke vrijstelling te verlenen. Het betoog is juist dat een onbevoegdheid niet noodzakelijk verhindert dat de desondanks genomen beslissing als besluit wordt aangemerkt en vervolgens wegens onbevoegdheid kan worden vernietigd.

6. Is de brief onderdeel van een handhavingstraject?

6.1. Een concrete opdracht kan meer zijn dan een informatieve mededeling

Sommige brieven gaan verder dan het geven van een oordeel over de vrijstelling. Zij verlangen dat ouders binnen een bepaalde termijn concrete maatregelen treffen, bijvoorbeeld een school zoeken en hun kind vóór een bepaalde datum inschrijven. Afhankelijk van de formulering en de daaraan verbonden gevolgen kan worden betoogd dat een dergelijke brief een last bevat.

Dat het bestuursorgaan of de betrokken ambtenaar mogelijk niet bevoegd is een dergelijke last op te leggen, staat niet zonder meer aan bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de weg. Dit volgt ook uit de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4600). Daarin werd een mondeling gegeven concrete opdracht om een overtreding binnen een bepaalde termijn te beëindigen vanwege effectieve rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld (zie hierna). De Afdeling verwierp daarbij het standpunt dat geen sprake kon zijn van een last onder bestuursdwang omdat de toezichthouder mogelijk niet bevoegd was deze zelfstandig op te leggen.

Voor thuisonderwijsgezinnen kan dit relevant zijn wanneer een college niet volstaat met de mededeling dat volgens hem geen vrijstelling bestaat, maar ouders tevens opdraagt hun kind vóór een bepaalde datum op een school in te schrijven en aan het niet voldoen aan die opdracht concrete handhavingsgevolgen verbindt.

6.2. Een waarschuwing kan onder omstandigheden een besluit zijn

Een tweede relevante lijn betreft de rechtspraak over bestuurlijke waarschuwingen. Een brief kan namelijk verder gaan dan de enkele mededeling dat volgens het college geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan. De brief kan tevens tot doel hebben de ouders ertoe te bewegen hun kind alsnog op een school in te schrijven en daarmee een concrete functie vervullen binnen het handhavingstraject van de Leerplichtwet.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1449) heeft de grote kamer geoordeeld dat een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing een besluit is wanneer zij een essentieel en onlosmakelijk onderdeel vormt van het wettelijke sanctieregime en daarmee rechtsgevolg heeft. In die zaak was de waarschuwing een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van een verdergaande sanctiebevoegdheid.

Voor de Leerplichtwet is in dit verband artikel 22 lid 2 Lpw van belang. Daaruit volgt dat de leerplichtambtenaar, indien uit zijn onderzoek blijkt dat de verantwoordelijke personen hun verplichtingen niet zijn nagekomen, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen eerst moet proberen hen ertoe te bewegen die verplichtingen alsnog na te komen. Indien dit niet lukt, kan proces-verbaal worden opgemaakt.

Dat biedt een belangrijk aanknopingspunt wanneer een brief duidelijke bewoordingen bevat waaruit enerzijds volgt dat het college zich definitief op het standpunt stelt dat geen vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw van rechtswege is ontstaan en anderzijds dat de ouders ertoe worden bewogen hun kind alsnog op een school in te schrijven. Denk bijvoorbeeld aan een brief waarin staat dat het kind vóór een bepaalde datum moet worden ingeschreven, dat de ouders in de tussentijd een school moeten zoeken en dat bij het uitblijven van inschrijving verdere stappen wegens absoluut verzuim zullen volgen.

In dat geval kan worden betoogd dat de brief niet slechts een informatieve mededeling bevat over het al dan niet bestaan van de vrijstelling. De brief kan tevens worden aangemerkt als de wettelijke waarschuwing of aansporing in de zin van artikel 22 lid 2 Lpw, waarmee wordt geprobeerd de ouders alsnog tot naleving van de volgens de LPA bestaande inschrijvingsplicht te bewegen. Wanneer die stap onderdeel vormt van de wettelijk voorgeschreven route naar het opmaken van proces-verbaal, bestaat op grond van de rechtspraak over bestuurlijke waarschuwingen een serieus argument dat de brief een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is.

Daarbij is de precieze formulering van de brief van groot belang. Hoe duidelijker daaruit blijkt dat het niet gaat om vrijblijvend advies, maar om een concrete waarschuwing waarbij ouders een laatste gelegenheid krijgen hun kind vóór een bepaalde datum in te schrijven teneinde verdere handhaving te voorkomen, des te sterker is het argument dat de brief binnen het wettelijke handhavingstraject de functie vervult waarop artikel 22 lid 2 Lpw ziet.

Voorbeeld

Het college schrijft dat na beoordeling van de kennisgeving geen vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw van rechtswege is ontstaan.

Vervolgens wordt meegedeeld dat de ouders hun kind uiterlijk vóór de aanvang van het nieuwe schooljaar op een school moeten inschrijven en dat zij gedurende de gegeven termijn een passende school moeten zoeken. Daarbij wordt aangekondigd dat wanneer het kind na afloop van die termijn niet staat ingeschreven, verdere stappen wegens absoluut verzuim zullen volgen.

In zo’n geval kan worden betoogd dat de brief niet alleen een oordeel over de vrijstelling bevat, maar tevens ertoe strekt de ouders overeenkomstig artikel 22 lid 2 Lpw alsnog tot naleving van de gestelde inschrijvingsplicht te bewegen.

Daarmee ontstaat een concreet aanknopingspunt voor het standpunt dat sprake is van een waarschuwing die onderdeel uitmaakt van het wettelijke handhavingstraject en op grond van de waarschuwingenrechtspraak als besluit moet worden aangemerkt.

7. Registratie en gegevensverwerking kunnen concrete gevolgen hebben

7.1. Rechtbank Overijssel 20 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:887

Ook de gevolgen voor de administratieve positie en persoonsgegevens van thuisonderwijskinderen zijn relevant.

In de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 februari 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:887) ging het om de opname van een minderjarige in een gemeentelijk veiligheidskader wegens langdurig schoolverzuim en om de daarmee samenhangende verwerking van persoonsgegevens. De voorzieningenrechter stelde de beslissing om de minderjarige in het veiligheidskader op te nemen om redenen van rechtsbescherming met een besluit gelijk.

Deze zaak betreft niet de vrijstelling van artikel 5 onder b Lpw en kan daarom niet rechtstreeks daarop worden toegepast. Zij laat wel zien dat de bestuursrechter bereid kan zijn door de formele kwalificatie van bestuurlijk handelen heen te kijken wanneer de feitelijke gevolgen voor een minderjarige en de verwerking van diens persoonsgegevens aanzienlijk zijn.

7.2. Registratie is niet steeds een vrijblijvende interne handeling

Wanneer een brief over artikel 5 onder b rechtstreeks leidt tot wijziging van de registratie van een thuisonderwijskind, registratie als absoluut verzuimer of verdere verwerking en uitwisseling van persoonsgegevens, kan daarom worden betoogd dat die externe gevolgen moeten worden meegewogen bij de beoordeling van aard en strekking van het bestuurlijke handelen.

Dat betekent niet dat elke registratie automatisch van de voorafgaande brief een besluit maakt. Wel vormt dit een extra argument tegen de gedachte dat een dergelijke brief noodzakelijkerwijs “louter informatief” is.

8. Effectieve rechtsbescherming kan grond zijn voor bezwaarmogelijkheid

8.1. Een bestuurlijk rechtsoordeel kan soms met een besluit worden gelijkgesteld

Zelfs wanneer de bestuursrechter van oordeel is dat de brief niet rechtstreeks op rechtsgevolg is gericht, kan het toch behandeld worden als ware het een besluit zoals bedoeld in de Awb.

In de rechtspraak van de Afdeling is aanvaard dat een bestuurlijk rechtsoordeel in uitzonderlijke gevallen om redenen van effectieve rechtsbescherming voor bezwaar en beroep met een besluit kan worden gelijkgesteld.

Daarbij staat centraal of het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om een andere route naar de rechter te moeten volgen.

8.2. Moet een ouder eerst strafvervolging riskeren?

Juist voor thuisonderwijsgezinnen kan de hiervoor besproken rechtspraak over effectieve rechtsbescherming van groot belang zijn. Volgens de bestaande rechtspraak over artikel 5 onder b Lpw kan de strafrechter uiteindelijk beoordelen of een ouder terecht een beroep op de vrijstelling heeft gedaan. Dat betekent echter dat een ouder die het standpunt van het college wil laten toetsen in een bijzonder moeilijke positie terecht kan komen.

Wanneer het college definitief meedeelt dat geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan, heeft de ouder in de praktijk immers twee mogelijkheden. De ouder kan het kind alsnog op een school inschrijven en daarmee gevolg geven aan het standpunt van het college, terwijl die inschrijving juist op gespannen voet kan staan met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging waarop het beroep op artikel 5 onder b Lpw berust. De andere mogelijkheid is dat de ouder het kind niet inschrijft en daarmee bewust het risico aanvaardt op registratie van absoluut verzuim, onderzoek door de leerplichtambtenaar, het opmaken van proces-verbaal en uiteindelijk strafvervolging.

De vraag is of van een ouder redelijkerwijs kan worden verlangd deze laatste route te volgen om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over de vraag of de vrijstelling bestaat. De latere rechtspraak van de Afdeling over bestuurlijke rechtsoordelen biedt aanknopingspunten om te betogen dat dit niet zonder meer het geval is.

8.2.1. Gelijkstelling aan besluit omwille van rechtsbescherming

De Afdeling aanvaardt namelijk dat een bestuurlijk rechtsoordeel dat op zichzelf geen besluit is, in uitzonderlijke omstandigheden omwille van de rechtsbescherming met een besluit kan worden gelijkgesteld. Daarbij is met name van belang of het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil via een andere procedure aan de rechter voor te leggen.

Deze lijn komt onder meer naar voren in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:453) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3163). De Afdeling kijkt daarbij niet alleen naar de theoretische mogelijkheid om op een later moment een besluit uit te lokken waartegen bezwaar gemaakt kan worden, maar ook naar de vraag of die alternatieve route voor de betrokkene daadwerkelijk een aanvaardbare weg naar de rechter vormt.

Van bijzonder belang is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3431). Daarin bevestigt de Afdeling uitdrukkelijk dat een bestuurlijk rechtsoordeel in uitzonderlijke omstandigheden omwille van de rechtsbescherming met een besluit kan worden gelijkgesteld. De mogelijkheid daartoe maakt dus nog steeds deel uit van de huidige bestuursrechtelijke rechtspraak.

8.2.2. Toetsing vrijstelling uitsluitend via strafrechter?

Voor thuisonderwijsgezinnen kan worden betoogd dat zich juist zo’n uitzonderlijke situatie voordoet. Een brief waarin het college definitief vaststelt dat volgens hem geen vrijstelling bestaat, is voor de betrokken ouders geen abstract juridisch advies. Het standpunt heeft onmiddellijk betekenis voor de vraag of zij hun kind op een school moeten inschrijven. Willen zij de juistheid van dat standpunt door een rechter laten toetsen zonder hun beroep op de vrijstelling prijs te geven, dan zouden zij volgens de bestaande leerplichtrechtspraak de inschrijving achterwege moeten laten en vervolgens moeten afwachten of het handhavingstraject uiteindelijk tot strafvervolging leidt.

Daarmee verschilt deze situatie wezenlijk van gevallen waarin een betrokkene betrekkelijk eenvoudig een vergunning kan aanvragen of een ander appellabel besluit kan uitlokken om een bestuurlijk rechtsoordeel door de bestuursrechter te laten toetsen. Bij artikel 5 onder b Lpw bestaat de alternatieve route juist uit het voortzetten van het gedrag waarvan de overheid stelt dat dit in strijd is met de Leerplichtwet, met het risico van strafrechtelijke vervolging als gevolg.

Daar komt bij dat niet alleen de ouder door deze keuze wordt geraakt. Het gemeentelijke standpunt heeft rechtstreeks betrekking op de onderwijspositie van het kind en kan ertoe leiden dat een bestaande thuisonderwijssituatie moet worden beëindigd voordat een rechter zich over het geschil heeft uitgesproken. Indien ouders daaraan geen gevolg geven, kunnen zij juist worden blootgesteld aan een handhavings- en strafrechtelijk traject.

8.2.3. Strafrechtelijk traject onevenredig bezwarend

Tegen deze achtergrond kan worden betoogd dat het onevenredig bezwarend is om van ouders te verlangen dat zij eerst het risico van strafvervolging aanvaarden voordat zij rechterlijke duidelijkheid kunnen verkrijgen over hun rechtspositie. Juist het uitgangspunt van effectieve rechtsbescherming kan dan rechtvaardigen dat een definitief bestuurlijk rechtsoordeel van het college over het ontbreken van de vrijstelling voor bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.

Deze argumentatielijn wordt bovendien ondersteund door de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:460), waarin de Afdeling opnieuw vanuit het perspectief van effectieve rechtsbescherming beoordeelt of van een betrokkene kan worden verlangd een andere procedurele route te volgen.

Daarmee ontstaat een zelfstandige grond om de oudere leerplichtrechtspraak opnieuw ter discussie te stellen. De vraag is niet alleen of het college op grond van de Leerplichtwet bevoegd is de vrijstelling te verlenen of te weigeren. Ook wanneer de brief uitsluitend als een bestuurlijk rechtsoordeel wordt beschouwd, moet afzonderlijk worden beoordeeld of de ouders langs een andere, niet-onevenredig bezwarende weg een rechterlijk oordeel over dat standpunt kunnen verkrijgen.

Wanneer het enige reële alternatief inhoudt dat ouders hun kind bewust niet inschrijven, een handhavingstraject moeten afwachten en uiteindelijk strafvervolging moeten riskeren, valt naar onze mening veel te zeggen voor het standpunt dat effectieve rechtsbescherming vereist dat de brief reeds bestuursrechtelijk kan worden aangevochten.

8.3. Het argument voor thuisonderwijsgezinnen

Het juridische betoog kan daarom als volgt worden opgebouwd.

Wanneer een college:

  1. een definitief rechtsoordeel geeft: dat geen vrijstelling bestaat of dat een eerder bestaande positie eindigt.
  2. concrete gevolgen daaraan verbindt: zoals verplichte inschrijving, registratie of een handhavingstermijn.
  3. geen voorafgaande rechterlijke toetsing beschikbaar stelt: terwijl de ouder alleen door niet-inschrijving uiteindelijk een strafrechterlijke beoordeling kan verkrijgen.

kan worden betoogd dat het voor de ouder onevenredig bezwarend is om eerst een strafrechtelijk traject te moeten riskeren voordat een rechter het onderliggende juridische geschil kan beoordelen.

Dat argument is niet zonder risico. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 juli 2026 de bestaande leerplichtrechtspraak immers nog gevolgd. Maar juist de bredere en nieuwere Afdelingsrechtspraak biedt aanleiding om de vraag opnieuw aan de bestuursrechter voor te leggen.

9. Wat kunnen thuisonderwijsgezinnen doen na een belastende brief?

9.1. Laat een individuele brief niet zonder beoordeling liggen

Wanneer ouders een brief ontvangen waarin het college stelt dat geen vrijstelling bestaat, is het verstandig eerst exact vast te stellen wat de brief bepaalt.

De belangrijkste vraag is niet alleen welke titel boven de brief staat, maar vooral welke concrete gevolgen daarin voor de ouders en het thuisonderwijskind worden genoemd.

Praktische aandachtspunten

Laat in ieder geval beoordelen of de brief een einddatum voor de vrijstellingspositie noemt, schoolinschrijving verlangt, een overgangstermijn bevat, medewerking aan het zoeken naar een school voorschrijft, registratie als absoluut verzuim aankondigt of een concrete vervolgstap van de leerplichtambtenaar in het vooruitzicht stelt.

9.2. Overweeg zekerheidshalve binnen zes weken bezwaar

Wanneer redelijkerwijs kan worden verdedigd dat de brief een besluit is of daarmee moet worden gelijkgesteld, is het verstandig zijn binnen de reguliere bezwaartermijn van zes weken zekerheidshalve bezwaar te maken.

Dat kan zo nodig eerst pro forma. De gronden kunnen vervolgens worden aangevuld nadat het dossier is verkregen.

Het voordeel daarvan is dat de ouders hun mogelijke bestuursrechtelijke rechtsingang niet door tijdsverloop prijsgeven.

9.3. Drie juridische lijnen in het bezwaar

Afhankelijk van de inhoud en gevolgen van de concrete brief kunnen in bezwaar verschillende, zo nodig subsidiaire, gronden worden aangevoerd.

9.3.1. De brief is zelf een besluit

Primair kan worden betoogd dat de brief naar inhoud en gevolgen op rechtsgevolg is gericht en daarom een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb. Dit argument wordt sterker wanneer de brief een bestaande vrijstellingspositie beëindigt, een concrete last tot schoolinschrijving bevat, als wettelijke waarschuwing of aansporing onderdeel vormt van het handhavingstraject van artikel 22 lid 2 Lpw, of gevolgen heeft voor de registratie en verwerking van persoonsgegevens van het thuisonderwijskind.

9.3.2. Het college handelt vanuit een gepretendeerde bevoegdheid

Subsidiair kan worden betoogd dat, ook als het college niet bevoegd is de vrijstelling te weigeren of te beëindigen, de brief toch een besluit kan zijn wanneer het college vanuit een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid beoogt de rechtspositie van ouders en kind te wijzigen. Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2006:AW1297, ECLI:NL:RVS:2008:BC9067 en ECLI:NL:RVS:2018:2119.

9.3.3. De brief moet met een besluit worden gelijkgesteld

Meer subsidiair kan worden betoogd dat een definitief bestuurlijk rechtsoordeel wegens effectieve rechtsbescherming met een besluit moet worden gelijkgesteld. Van ouders kan worden betoogd dat niet redelijkerwijs mag worden verlangd dat zij hun kind oningeschreven laten en daarmee eerst handhaving en uiteindelijk strafvervolging riskeren om rechterlijke toetsing te verkrijgen. Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2020:453, ECLI:NL:RVS:2022:3163, ECLI:NL:RVS:2023:3431 en ECLI:NL:RVS:2026:460.

9.4. Een niet-ontvankelijk bezwaar kan juist de besluitvraag bij de rechter brengen

Dat volgens de huidige specifieke leerplichtrechtspraak een risico bestaat dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, betekent niet dat bezwaar daarom zonder betekenis is.

Een niet-ontvankelijkverklaring creëert juist een besluit op bezwaar. Daardoor kan de bestuursrechter worden gevraagd te beoordelen of de oorspronkelijke brief werkelijk buiten het besluitbegrip valt en of de bestaande rechtspraak in de concrete omstandigheden nog steeds onverkort moet worden toegepast.

Uiteindelijk kan de vraag daarmee ook opnieuw aan de Afdeling bestuursrechtspraak worden voorgelegd.

9.5. Vraag ook het dossier en de registraties op

Het kan daarnaast verstandig zijn om inzicht te vragen in het volledige onderliggende dossier en in de gegevens die naar aanleiding van de brief over het thuisonderwijskind worden verwerkt, bijvoorbeeld binnen onderwijs- of verzuimregistraties.

Dat kan van belang zijn om vast te stellen welke concrete gevolgen het gemeentelijke standpunt feitelijk al heeft gehad. De uitspraak van rechtbank Overijssel van 20 februari 2026 laat bovendien zien dat gegevensverwerking en registratie in de context van schoolverzuim zelfstandige rechtsbeschermingsvragen kunnen oproepen.

10. De Hoge Raad heeft thuisonderwijs niet afgeschaft

10.1. Strafrechtelijke maatstaf en bestuursrechtelijke bevoegdheid zijn niet hetzelfde

De arresten van 21 april 2026 moeten nauwkeurig worden gelezen. De Hoge Raad lijkt in twee strafzaken het materiële toetsingskader voor artikel 5 onder b Lpw aan te scherpen. Vooral ten aanzien van openbare scholen lijkt het moeilijker geworden te zijn om met succes overwegende bedenkingen tegen de richting aan te nemen, in ieder geval in het kader van een strafproces.

Daaruit volgt echter niet automatisch dat een college een wettelijke bevoegdheid heeft gekregen om vrijstellingen te verlenen, af te wijzen of in te trekken.

De oudere Afdelingsrechtspraak zegt juist het tegenovergestelde: de vrijstelling vloeit bij vervulling van de wettelijke voorwaarden rechtstreeks uit de wet voort.

10.2. Nieuwe gemeentelijke praktijk tegenover oude leerplichtrechtspraak

Daarmee ontstaat een interessante juridische spanning. De specifieke leerplichtrechtspraak over het ontbreken van een Awb-besluit dateert uit het begin van deze eeuw, terwijl de algemene bestuursrechtelijke rechtspraak over rechtsbescherming sindsdien sterk is ontwikkeld.

De huidige praktijk kan bovendien feitelijk verschillen van de oudere zaken. Wanneer gemeenten na de arresten van 2026 bestaande thuisonderwijsgezinnen actief herbeoordelen, overgangstermijnen bepalen, schoolinschrijving verlangen, registraties aanpassen en concrete handhavingsgevolgen aankondigen, is verdedigbaar dat opnieuw moet worden beoordeeld of nog steeds slechts sprake is van een “mededeling van louter informatieve aard”.

11. Conclusie

De arresten van de Hoge Raad van 21 april 2026 hebben artikel 5 onder b Lpw niet afgeschaft en evenmin bepaald dat thuisonderwijs in Nederland niet meer mogelijk is. Wel lijkt de Hoge Raad de inhoudelijke strafrechtelijke maatstaf te hebben willen aanscherpen, vooral voor bedenkingen tegen openbare scholen.

Tegelijkertijd blijft een afzonderlijke bestuursrechtelijke vraag bestaan. De Afdeling heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de vrijstelling rechtstreeks uit de wet voortvloeit en een afwijzende mededeling van het college in beginsel geen Awb-besluit is. De rechtbank Midden-Nederland heeft die lijn op 3 juli 2026 opnieuw gevolgd.

Daarmee is echter nog niet gezegd dat iedere hedendaagse brief van een college ongeacht inhoud en gevolgen buiten het besluitbegrip moet vallen. De latere rechtspraak over het gewone besluitbegrip, de gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid, bestuurlijke waarschuwingen, bestuurlijke rechtsoordelen en effectieve rechtsbescherming biedt serieuze aanknopingspunten om die vraag opnieuw aan de Afdeling voor te leggen.

Voor thuisonderwijsgezinnen is dat praktisch belangrijk. Wie een individuele brief ontvangt waarin wordt gesteld dat geen vrijstelling (meer) bestaat, dat het thuisonderwijskind op school moet worden ingeschreven of dat na een bepaalde datum registratie of handhaving volgt, doet er daarom verstandig aan die brief onmiddellijk juridisch te laten beoordelen. Afhankelijk van de inhoud kan het raadzaam zijn om zekerheidshalve binnen zes weken, zo nodig pro forma, bezwaar te maken.

Advocatenkantoor El Hannouche kan thuisonderwijsgezinnen adviseren over kennisgevingen op grond van artikel 5 onder b Lpw, gemeentelijke herbeoordelingen na de arresten van de Hoge Raad, correspondentie met het college en de leerplichtambtenaar, registratie van absoluut verzuim en het voeren van bezwaar-, beroeps- en strafrechtelijke procedures.

 

Meer informatie of hulp nodig?

Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met:

Wat zijn de kosten?

Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.