Bruidsgave afgewezen wegens ontbreken burgerlijk huwelijk

Op 14 april 2026 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een belangrijke uitspraak gedaan over de afdwingbaarheid van een islamitische bruidsgave (mahr) wanneer partijen in Nederland uitsluitend een religieus huwelijk hebben gesloten. Het hof oordeelde dat aan de afspraken over de bruidsgave in deze zaak geen rechtsgevolg toekomt. Volgens het hof zou het afdwingen van de bruidsgave betekenen dat indirect rechtsgevolg wordt toegekend aan een huwelijk dat naar Nederlands recht niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

In dit blog bespreken wij de uitspraak en leggen wij uit wat deze kan betekenen voor personen die een islamitisch huwelijk hebben gesloten en afspraken hebben gemaakt over een bruidsgave.

1. Bruidsgave bij een religieus huwelijk

De islamitische bruidsgave, ook wel mahr, sadaq, bruidsgift of soms (onterecht) bruidsschat genoemd, speelt regelmatig een rol in procedures voor de Nederlandse rechter. Daarbij kan onder meer discussie ontstaan over de vraag welk recht van toepassing is, hoe de bruidsgave juridisch moet worden gekwalificeerd en of de overeengekomen bruidsgave daadwerkelijk kan worden afgedwongen.

De uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 april 2026 voegt aan deze rechtspraak een belangrijke situatie toe. Partijen hadden in Nederland een religieuze huwelijksceremonie gehouden, maar waren niet voor de Nederlandse burgerlijke stand getrouwd. De bruidsgave was volgens partijen bovendien onlosmakelijk verbonden met het religieuze huwelijk.

Lees ook: Wat te doen met de islamitische bruidsgave?

1.1. Wat was er aan de hand?

De vrouw had zowel de Iraanse als de Nederlandse nationaliteit. De man had de Nederlandse nationaliteit. Partijen hadden een affectieve relatie en hielden in 2015 in Nederland een religieuze huwelijksceremonie onder begeleiding van een imam. In december 2016 vond daarnaast in Iran een feest met een ceremonie plaats.

Ter gelegenheid van de religieuze ceremonie in Nederland was een akte opgesteld. Daarin waren afspraken opgenomen over een bruidsgave.

De relatie eindigde in 2021. De vrouw maakte vervolgens eind 2023 aanspraak op de overeengekomen bruidsgave. De man betwistte dat hij deze verschuldigd was.

1.1.1. Omvang van de gevorderde bruidsgave

De financiële belangen waren aanzienlijk. De vrouw vorderde in eerste aanleg onder meer overdracht van de eigendom van een driekamerappartement. Subsidiair vorderde zij vergoeding van de waarde daarvan, die zij stelde op € 230.000,-. Daarnaast vorderde zij € 9.000,- voor de kosten van een Hadj, de pelgrimstocht naar Mekka.

De rechtbank wees de vorderingen af. De vrouw stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Lees ook: Wie heeft recht op de bruidsgave na echtscheiding?

2. Nederlandse rechter en toepasselijk recht

Voordat het hof kon beoordelen of de bruidsgave verschuldigd was, moest worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd was en welk recht op het geschil moest worden toegepast.

2.1. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

De zaak had een internationaal karakter. Dat hield onder meer verband met de Iraanse nationaliteit van de vrouw en de religieuze achtergrond van de gemaakte afspraken.

Het hof kwalificeerde de bruidsgave voor de beoordeling van de rechtsmacht als een rechtsverhouding sui generis: een rechtsverhouding met een eigen karakter. Volgens het hof vloeiden de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daarom niet voort uit een verdrag of Europese verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.

Omdat de man in Nederland woonde, had de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Rv rechtsmacht.

2.2. Nederlands recht van toepassing

In eerste aanleg was Nederlands recht toegepast op de vordering tot afgifte van de bruidsgave. Daartegen was in hoger beroep geen grief gericht. Het gerechtshof ging daarom eveneens uit van Nederlands recht.

Dat is een belangrijk aandachtspunt bij procedures over een islamitische bruidsgave. De enkele omstandigheid dat de bruidsgave haar oorsprong vindt in het islamitische recht, betekent niet automatisch dat een Nederlandse rechter buitenlands recht op de vordering toepast.

Lees ook: Bruidsgave afgewezen: toepassing van Nederlands en Iraans recht

3. Geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht

Voor de uitkomst van deze procedure was van doorslaggevend belang dat partijen uitsluitend een religieuze huwelijksceremonie hadden gehouden en geen Nederlands burgerlijk huwelijk hadden gesloten.

3.1. Artikel 1:63 BW en het burgerlijk huwelijk

Partijen hadden in 2015 in Nederland een ceremonie gehouden die werd begeleid door een imam. Zij wilden daarmee een religieus huwelijk naar islamitisch recht aangaan.

Het hof liet in het midden of daarmee daadwerkelijk een rechtsgeldig islamitisch huwelijk tot stand was gekomen. Naar Nederlands recht was in ieder geval geen rechtsgeldig huwelijk gesloten.

Artikel 1:63 BW vereist namelijk dat een Nederlands huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt voltrokken. Dat was niet gebeurd.

Partijen waren zich daarvan volgens het hof ook bewust. Zij hadden aanvankelijk namelijk het voornemen om later alsnog een burgerlijk huwelijk in Nederland te sluiten.

Lees ook: Huwelijk naar burgerlijk én islamitisch recht: do’s en don’ts

3.2. Een religieus huwelijk is niet hetzelfde als een burgerlijk huwelijk

De uitspraak onderstreept het juridische onderscheid tussen een religieus huwelijk en een naar Nederlands recht rechtsgeldig burgerlijk huwelijk.

Een islamitisch huwelijk kan voor de betrokken personen religieus en maatschappelijk van grote betekenis zijn. Dat betekent echter niet dat een uitsluitend in Nederland voltrokken religieus huwelijk dezelfde civielrechtelijke gevolgen heeft als een huwelijk dat overeenkomstig het Nederlandse Burgerlijk Wetboek is gesloten.

Dit onderscheid kan gevolgen hebben voor onder meer het huwelijksvermogensrecht, erfrecht en andere rechten en verplichtingen die de wet aan een burgerlijk huwelijk verbindt.

Lees ook: Gevolgen van een islamitisch huwelijk

4. Waarom was de bruidsgave niet afdwingbaar?

Het belangrijkste onderdeel van het arrest betreft de vraag of de afspraken over de bruidsgave ondanks het ontbreken van een burgerlijk huwelijk zelfstandig konden worden afgedwongen.

Het antwoord van het hof was in deze zaak ontkennend.

4.1. Bruidsgave was integraal onderdeel van het religieuze huwelijk

Van groot belang was wat partijen tijdens de procedure zelf hadden verklaard. Zij beschouwden de afspraken over de bruidsgave als een integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten.

Bovendien verklaarden zij dat zij de afspraken over de bruidsgave zonder het religieuze huwelijk niet zouden hebben gemaakt.

De bruidsgave stond daarmee volgens het hof niet los van de religieuze huwelijkssluiting.

4.1.1. Gevolg van deze verbondenheid

Juist deze verbondenheid tussen het religieuze huwelijk en de bruidsgave was beslissend. Het hof overwoog:

“Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave – als integraal onderdeel van het door hen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk, en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever.”

Het gevolg was dat aan de afspraken over de bruidsgave geen rechtsgevolg werd toegekend.

5. Religieuze huwelijkssluiting en de bedoeling van de wetgever

Het hof beperkte zich niet tot de constatering dat geen burgerlijk huwelijk bestond. Het plaatste zijn oordeel nadrukkelijk in het kader van de bedoeling van de Nederlandse wetgever.

5.1. Eerst het burgerlijk huwelijk

Het hof wees erop dat de wetgever de praktijk waarbij religieuze huwelijken worden gesloten zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk heeft willen tegengaan.

Artikel 1:68 BW speelt daarbij een belangrijke rol. Ook kent artikel 449 Sr een strafrechtelijke bepaling voor de bedienaar van de godsdienst die, kort gezegd, in strijd met de wettelijke voorwaarden meewerkt aan een religieuze huwelijksvoltrekking voordat partijen een burgerlijk huwelijk zijn aangegaan.

Lees ook: Is de imam strafbaar bij een islamitisch huwelijk?

5.2. Welke belangen worden daarmee beschermd?

Volgens het gerechtshof sluit deze wettelijke regeling aan bij verschillende fundamentele Nederlandse beginselen en belangen. Het hof noemt onder meer:

  • de scheiding tussen kerk en staat.
  • de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers, waaronder de registers van de burgerlijke stand.
  • de bescherming van met name de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie.

Volgens het hof zou het toewijzen van de bruidsgave onder de omstandigheden van deze zaak indruisen tegen die wettelijke uitgangspunten.

6. Betekent dit dat een bruidsgave nooit afdwingbaar is?

Nee. Het arrest moet zorgvuldig worden gelezen. De uitspraak betekent niet dat iedere islamitische bruidsgave voortaan naar Nederlands recht zonder rechtsgevolg is.

6.1. De omstandigheden van het geval blijven bepalend

In de Nederlandse rechtspraak zijn bruidsgaven op verschillende manieren juridisch benaderd. De uitkomst kan onder meer afhankelijk zijn van:

  • het land waarin het huwelijk is gesloten.
  • de vraag of sprake is van een rechtsgeldig burgerlijk huwelijk.
  • de nationaliteit en woonplaats van partijen.
  • het recht dat op de bruidsgave van toepassing is.
  • de precieze inhoud van de afspraken over de bruidsgave.
  • de verhouding tussen de bruidsgave en de religieuze huwelijkssluiting.
  • de wijze waarop de vordering juridisch wordt gekwalificeerd.

Een in het buitenland gesloten religieus huwelijk kan bovendien een andere positie hebben wanneer dat huwelijk volgens het recht van dat land tevens een rechtsgeldig burgerlijk huwelijk vormt en in Nederland wordt erkend.

6.2. Geen algemene regel dat iedere bruidsgave ongeldig is

Voor rechtzoekenden is dit onderscheid essentieel. Uit de uitspraak van 14 april 2026 kan niet de algemene regel worden afgeleid dat een Nederlandse rechter nooit betaling van een islamitische bruidsgave kan opleggen.

Kenmerkend voor deze zaak was juist de combinatie van omstandigheden: de religieuze ceremonie vond in Nederland plaats, partijen hadden geen Nederlands burgerlijk huwelijk gesloten, Nederlands recht werd op de vordering toegepast en beide partijen beschouwden de bruidsgave als integraal onderdeel van het beoogde religieuze huwelijk.

7. Wat betekent de uitspraak voor rechtzoekenden?

Wie een islamitische bruidsgave wil opeisen of zich juist tegen een dergelijke vordering wil verweren, doet er verstandig aan niet uitsluitend naar de tekst van het religieuze huwelijkscontract te kijken.

7.1. Laat eerst de juridische positie beoordelen

Een advocaat zal onder meer moeten onderzoeken welk recht van toepassing is, of sprake is van een in Nederland erkend huwelijk, waar de afspraken zijn gemaakt en welke juridische betekenis aan de bruidsgave kan worden toegekend.

Ook de formulering van de afspraken kan van belang zijn. Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat bovendien zien dat verklaringen van partijen over het doel en de achtergrond van de bruidsgave doorslaggevend kunnen zijn.

7.2. Voorkom onzekerheid bij het maken van afspraken

Voor personen die nog een islamitisch huwelijk willen aangaan, is de uitspraak eveneens relevant. Het is belangrijk om vooraf duidelijkheid te verkrijgen over de verhouding tussen het burgerlijke huwelijk, het religieuze huwelijk en eventuele financiële afspraken.

Een religieus huwelijkscontract biedt niet automatisch dezelfde juridische bescherming als een overeenkomst die naar Nederlands recht rechtsgevolgen heeft. Het verdient daarom aanbeveling om vóór het sluiten van een religieus huwelijk juridisch advies in te winnen over de wijze waarop financiële afspraken rechtsgeldig kunnen worden vormgegeven.

8. Conclusie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 14 april 2026 geoordeeld dat geen rechtsgevolg toekomt aan de afspraken over de bruidsgave die partijen in deze zaak in verband met hun religieuze huwelijk hadden gemaakt. Partijen waren in Nederland niet rechtsgeldig gehuwd omdat zij geen burgerlijk huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand hadden gesloten. Daarnaast hadden zij zelf verklaard dat de bruidsgave een integraal onderdeel was van hun religieuze huwelijk en dat zij die afspraak zonder dat huwelijk niet zouden hebben gemaakt.

Volgens het hof zou toewijzing van de bruidsgave onder deze omstandigheden indirect rechtsgevolg toekennen aan een huwelijk dat naar Nederlands recht niet rechtsgeldig is. Dat zou indruisen tegen de bedoeling van de wetgever.

Voor rechtzoekenden is vooral van belang dat hieruit niet volgt dat iedere islamitische bruidsgave in Nederland zonder rechtsgevolg is. De juridische positie hangt sterk af van de omstandigheden van het concrete geval, waaronder de plaats van huwelijkssluiting, de rechtsgeldigheid en erkenning van het huwelijk, het toepasselijke recht en de precieze afspraken tussen partijen.

Heeft u een geschil over een islamitische bruidsgave, een islamitisch huwelijk of een religieuze echtscheiding? Advocatenkantoor El Hannouche heeft ervaring met zaken op het snijvlak van Nederlands familierecht, internationaal privaatrecht en islamitisch recht. Wij kunnen beoordelen of een bruidsgave juridisch afdwingbaar is, verweer voeren tegen een vordering tot betaling daarvan en adviseren over de juridische gevolgen van een religieus huwelijk.

 

Meer informatie of hulp nodig?

Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met:

Wat zijn de kosten?

Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.