Onrechtmatige daad in sport- en spelsituaties

Wanneer iemand letsel toebrengt aan een ander dient deze de schade te vergoeden aan die ander. In sport- en spelsituaties lig deze drempel echter hoger dan in andere situaties. De vraag is wanneer een deelnemer aan een sport of spel toch aansprakelijk kan worden gesteld voor de gevolgen van een ongeval? Deze vraag stond centraal in een recente uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant.

1. De feiten

Verzoeker (slachtoffer) en verweerder (dader) nemen allebei deel aan een wedstrijd ijsvoetbal. Bij dit ijsvoetbalspel moeten deelnemers een grote plastic bal over het hoofd trekken om zich te beschermen tegen stoot- en valgevaar. Het doel van het spel is om de voetbal in het doel van de tegenstander te krijgen.

Na het fluitsignaal van de scheidsrechter trekt verzoeker zijn plastic bal uit en staat op het punt om de ijsbaan via de ijshockeyklapdeur te verlaten. De verweerder die nog de plastic bal over zijn hoofd draagt, gaf bij wijze van grap een onverwachte duw in de rug van verzoeker. Als gevolg hiervan komt verzoeker ten val en komt hij met zijn hoofd tegen de rand van de ijsbaan terecht en raakt bewusteloos.

In deze kwestie stond de vraag centraal of verweerder aansprakelijk gesteld kan worden voor de gevolgen, zijnde een hersenschudding en rug- en nekklachten, die zijn gedrag in het leven hebben geroepen.

2. Sport- en spelsituatie

Binnen sport- en spelsituaties geldt een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Dat betekent dat gedragingen die zich binnen sport of spel afspelen minder snel als onrechtmatige gedraging worden gekwalificeerd dan wanneer diezelfde gedraging zich buiten sport- en spelsituaties voordoet.

De reden hiervan is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerde getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.

In deze zaak is de rechter van mening dat er in casu sprake is van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel en dat deze drempel niet ophoudt na het fluitsignaal van de scheidsrechter en evenmin nadat verschillende deelnemers de ijsbaan willen verlaten. Belangrijk hierbij is dat zowel verzoeker als verweerder zich ten tijde van het ongeval gewoon op het ijs bevonden.

3. Onrechtmatige daad

Voor het beantwoorden van de vraag of de verweerder in kwestie aansprakelijk is voor de gevolgen, wordt deze vraag beoordeeld langs de meetlat van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Hiervoor hanteert de rechter gezichtspunten uit het zogeheten Kelderluik-arrest (zie inzet hieronder) en de verdere feiten en omstandigheden van het geval en concludeert dat de gedraging van de verweerder wordt gekwalificeerd als onrechtmatige daad.

De gedraging van de verweerder wordt gezien als een gevaarlijke en onzorgvuldige handeling. Daarbij zijn de volgende feiten en omstandigheden essentieel geweest:

  1. Het fluitsignaal voor het einde van de wedstrijd had reeds geklonken en verschillende deelnemers waren bezig de ijsbaan te verlaten of hadden de ijsbaan reeds verlaten.
  2. Verzoeker was bezig de ijsbaan te verlaten en nam geen deel meer aan het spel.
  3. Verzoeker had de plastic bal reeds uitgetrokken en droeg geen bescherming meer, hetgeen voor verweerder kenbaar was.
  4. Verweerder had verzoeker opzettelijk in de rug geduwd, hetgeen verzoeker niet zag aankomen.
  5. Verweerder droeg ten tijde van de duw nog wel de plastic bal, waarvan het extra verende effect op verzoeker de verweerder gezien het eerder gespeelde spel bekend was.

Kelderluik-arrest

In deze uitspraak van de Hoge Raad van 5 november 1965 ging het om het volgende. Een medewerker van een frisdrankfabriek had in februari 1961 frisdrank afgeleverd bij een café in Amsterdam. Hij had daarbij het kelderluik open laten staan. Een bezoeker die op weg was naar het toilet is vervolgens in het keldergat gevallen en liep daarbij ernstige verwondingen op.

Volgens de rechtbank en het hof was de frisdrankfabrikant niet aansprakelijk voor de schade omdat de betreffende bezoeker beter had moeten opletten. Echter, de Hoge Raad bepaalde dat bij het open laten van het kelderluik ook rekening gehouden dient te worden met bezoekers die minder goed opletten. De frisdrankfabrikant was wel degelijke aansprakelijk voor de schade van de bezoeker waarbij de bezoeker 50% van zijn eigen schade diende te dragen vanwege eigen schuld.

De Hoge Raad heeft naar aanleiding van deze casus een aantal criteria opgesteld (de zogeheten Kelderluikcriteria) die tot op de dag van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad. Deze vier criteria luiden als volgt:

  1. Hoe waarschijnlijk kan de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid worden geacht?
  2. Hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan?
  3. Hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn?
  4. Hoe bezwaarlijk zijn de te nemen veiligheidsmaatregelen?

Ongeval waarschijnlijk

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval en de kans op letsel als gevolg van de duw zo groot dat verweerder zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van de gedraging had moeten weerhouden. Daarbij is niet van belang dat verweerder niet bedacht was op de val en het daaruit voortvloeiende letsel en ook niet dat er geen instructies waren gegeven of spelregels uiteen waren gezet.

Duw opzettelijk

Op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden is het handelen van de verweerder gekwalificeerd als onrechtmatige daad en is verzoeker op grond hiervan in het gelijk gesteld. Echter, de rechter heeft wel expliciet aangegeven dat, als de duw per ongeluk was geweest doordat de verweerder tegen de verzoeker was aangebotst of wanneer verweerder niet had opgemerkt dat de verzoeker geen bescherming droeg, het oordeel over de aansprakelijkheid anders was geweest.

Dat de duw opzettelijk is en verweerder gezien had dat verzoeker geen bescherming droeg zijn dus twee factoren die van doorslaggevende betekenis zijn geweest om in dit geval verweerder aansprakelijk te achten.

4. Eigen schuld

Verweerder beroept zich op eigen schuld (artikel 6:101 BW) en voert daarbij aan dat verzoeker de plastic bal uit had getrokken terwijl hij nog op de ijsbaan stond en een beperkt aantal deelnemers aan het doorspelen waren. Verweerder is van mening dat verzoeker zichzelf bloot heeft gesteld aan de risico’s nu hij de plastic bal over zijn hoofd had uitgetrokken terwijl hij zich op de ijsbaan bevond. Hij had dit kunnen weten omdat hij vaker het spel heeft gespeeld en zelf voor dit spel heeft gekozen.

Duw onverwacht

De rechtbank concludeert echter dat geen sprake is van eigen schuld en legt daaraan het volgende ten grondslag. Verzoeker had er redelijkerwijs geen rekening mee hoeven te houden dat hij, nadat voor het einde van de wedstrijd was gefloten, opzettelijk in de rug zou worden geduwd door een teamgenoot toen hij zijn bal had uitgetrokken en zich richting de uitgang van de ijsbaan begaf. Ondanks de door verweerder gestelde baldadige/jolige sfeer tijdens het uitstapje, kan van verzoeker als initiatiefnemer van het spel redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zodanige maatregelen treft dat de kans op baldadig gedrag volledig wordt uitgesloten.

5. Conclusie

Binnen sport- en spelsituaties worden bepaalde gedragingen minder snel als onrechtmatige daad gekwalificeerd aangezien sport of spel bepaalde gedragingen met zich meebrengt. Bij deelname aan een sport of spel dienen deelnemers bewust te zijn van de risico’s die aan die sport of dat spel kleven. Hierdoor geldt er binnen sport- en spelsituaties een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel en wordt de onrechtmatige gedraging binnen een sport of spel minder snel aan de veroorzaker toegerekend dan wanneer diezelfde gedraging zich buiten sport of spel voordoet.

Of er sprake is van een onrechtmatige daad binnen sport- en spelsituaties is echter afhankelijk van alle feiten en omstandigheden waarbij getoetst dient te worden aan de gezichtspunten uit het Kelderluik-arrest. Uit deze uitspraak blijkt in ieder geval dat er sprake kan zijn van onrechtmatig gedrag indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten weerhouden. Hierbij moet ook gelet worden op het gevaar dat deelnemers gezien de specifieke situatie over en weer redelijkerwijs van elkaar kunnen en moeten verwachten.

Bron(nen):

 

Meer informatie of hulp nodig?

Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met:

Wat zijn de kosten?

Klik hier voor meer informatie over de wijze waarop uw advocaatkosten kunnen worden vergoed en welke betalingsmethoden ons kantoor hanteert.