Schadevergoeding bij onterechte vrijheidsbeneming

Het komt vaak voor dat een verdachte op het politiebureau wordt vastgehouden tijdens het politieonderzoek. Niet altijd wordt een verdachte vervolgens vervolgd. Ook komt het voor dat de verdachte wel wordt vervolgd, maar vervolgens wordt vrijgesproken. In dergelijke gevallen is de vrijheidsbeneming achteraf gezien onterecht en kan de verdachte in aanmerking komen voor schadevergoeding. In dit artikel leest u wanneer u recht heeft op deze schadevergoeding, hoe hoog deze is en op welke wijze deze aangevraagd dient te worden.

Voor vergoeding van schade voor onterecht ondergane vrijheidsbeneming door de strafrechter gelden de volgende voorwaarden:

  1. Vrijheidsbeneming: de schade dient het gevolg te zijn van vrijheidsbeneming in de vorm van ondergane inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis of klinische observatie.
  2. Beëindiging zonder straf of maatregel: de strafzaak moet zijn beëindigd zonder straf of maatregel.
  3. Schade: de schade dient te bestaan uit immateriële schade of vermogensschade.
  4. Binnen drie maanden: het verzoek dient binnen drie maanden na beëindiging van de zaak te worden gedaan. Na drie maanden kunt u uitsluitend terecht bij de civiele rechter.
  5. Verzoek van verdachte: het verzoek dient te worden gedaan door de persoon die als verdachte was aangemerkt (de gewezen verdachte) of diens erfgenamen indien hij is overleden.

Wij zullen deze voorwaarden hierna uitgebreid en puntsgewijs bespreken.

1. Vrijheidsbeneming

De schadevergoeding voor onterecht ondergane vrijheidsbeneming (ook wel vrijheidsontneming) is geregeld in artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze schadevergoeding geldt voor onterecht ondergane inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis of klinische observatie wanneer de zaak is geëindigd zonder dat een straf of maatregel is opgelegd.

Om goed te begrijpen wanneer welke vorm van vrijheidsbeneming aan de orde is, zullen we hierna alle fasen van het voorarrest bespreken waaronder de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis vallen. Vervolgens zullen we ingaan op de klinische observatie.

Ophouden voor verhoor

Het voorarrest begint met het ophouden voor verhoor. De verdachte kan in dat kader 9 uur worden opgehouden voor verhoor waarbij de tijd tussen 00:00 uur en 9:00 uur niet meetelt. Indien inverzekeringstelling niet is toegelaten dan kan de verdachte voor 6 uur worden opgehouden voor verhoor. Dit kan verlengd worden met nogmaals 6 uur indien dat nodig is voor de vaststelling van diens identiteit. Al met al kan de verdachte voor maximaal 21 uur worden opgehouden op het politiebureau voor verhoor (inclusief de nacht).

Geen schadevergoeding

Voor de tijd dat een verdachte is verhoord, ook als hij de nacht heeft besteed op het politiebureau, bestaat geen recht op schadevergoeding op grond van artikel 89 Sv. De hulpofficier van justitie die beslist over inverzekeringstelling moet namelijk eerst een goed beeld krijgen door middel van verhoor van de verdachte voordat hij deze in verzekering stelt.

Inverzekeringstelling

Indien dat nodig is, kan de verdachte vervolgens in verzekering worden gesteld op het politiebureau voor maximaal 3 dagen. Dit kan voor hoogstens 3 dagen worden verlengd. Dit kan slechts als het gaat om feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat wil zeggen strafbare feiten waarvoor de wet een gevangenisstraf heeft vastgesteld van 4 jaar of meer of specifieke strafbare feiten die in de wet zijn opgesomd zoals mishandeling, bedreiging of vernieling. Bovendien dient de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek te zijn.

Voor de duur van de onterecht ondergane inverzekeringstelling bestaat recht op vergoeding van de schade op grond van artikel 89 Sv.

Inbewaringstelling

Vervolgens kan de officier van justitie aansluitend de inbewaringstelling van de verdachte vorderen voor ten hoogste 14 dagen. Hiermee start de fase van de voorlopige hechtenis. De rechter-commissaris beslist op deze vordering waarbij gekeken wordt naar de vraag of er sprake is van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Dat betekent dat er sprake moet zijn van meer dan een vermoeden dat het strafbare feit is gepleegd door de verdachte.

Daarnaast kijkt de rechter-commissaris of sprake is van een van de wettelijke gronden voor voorlopige hechtenis zoals vluchtgevaar, recidivegevaar of het gevaar dat het onderzoek door de verdachte wordt gefrustreerd indien hij op vrije voeten wordt gesteld. Uiteraard dient sprake te zijn van verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Voor de duur van de onterecht ondergane inbewaringstelling bestaat recht op vergoeding van de schade op grond van artikel 89 Sv.

Gevangenhouding

De laatste fase van de voorlopige hechtenis bestaat uit de gevangenhouding. De raadkamer van de rechtbank beslist in dat kader op vordering van de officier van justitie over de gevangenhouding.

De gevangenhouding duurt in beginsel 30 dagen en kan maximaal twee maal worden verlengd. De gevangenhouding mag in totaal (inclusief verlengingen) niet langer duren dan 90 dagen. Ook hier geldt dat sprake moet zijn van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ernstige bezwaren en een wettelijke grond voor voorlopige hechtenis.

Voor de duur van de onterecht ondergane gevangenhouding bestaat recht op vergoeding van de schade op grond van artikel 89 Sv.

Schematisch ziet het bovenstaande er als volgt uit:

Soort Plaats Duur Verlenging Maximaal Schade vergoed?
Voorarrest
Ophouden voor verhoor Politiebureau 9 uur: indien inverzekeringstelling is toegelaten*

6 uur: indien geen inverzekeringstelling is toegelaten*

  • bedoeld voor verhoor door de politie
  • de tijd tussen 00:00 uur en 9:00 uur telt niet mee

* dit geldt vanaf 1 maart 2017

6 uur

  • uitsluitend in verband met vaststelling van de identiteit
  • de tijd tussen 00:00 uur en 9:00 uur telt niet mee
21 uur

24 uur*

Nee
Inverzekeringstelling Politiebureau 3 dagen

  • uitsluitend in het belang van het onderzoek
3 dagen

  • uitsluitend indien dringend noodzakelijk
6 dagen Ja
Voorlopige hechtenis
Inbewaringstelling Huis van bewaring of politiebureau 14 dagen

  • uitsluitend bij ernstige bezwaren en wettelijke gronden (o.a. vlucht- en recidivegevaar)
Geen 14 dagen Ja
Gevangenhouding Huis van bewaring of politiebureau 30 dagen

  • uitsluitend bij ernstige bezwaren en wettelijke gronden (o.a. vlucht- en recidivegevaar)
60 dagen

  • twee maal verlenging mogelijk voor totaal 60 dagen
90 dagen ja

Klinische observatie

Indien de rechter opname in een psychiatrisch ziekenhuis of tbs (terbeschikkingstelling) met eventuele dwangverpleging overweegt op te leggen, kan hij alvorens daartoe over te gaan, bevelen dat de verdachte ter observatie wordt overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis of tbs-kliniek. Dit gebeurt over het algemeen bij verdachten van zeer ernstige strafbare feiten waarvan wordt vermoed dat deze (deels) ontoerekeningsvatbaar zijn vanwege bijvoorbeeld een persoonlijkheidsstoornis, psychose of verstandelijke beperking.

Gedurende de tijd dat de verdachte wordt opgenomen voor klinische observatie is sprake van vrijheidsbeneming van overheidswege omdat hij zich niet kan onttrekken aan deze opname. Indien na afloop van de strafzaak zou blijken dat in de zaak geen straf of maatregel opgelegd is, is deze vrijheidsbeneming bij nader inzien onterecht. In een dergelijk geval bestaat dan ook recht op schadevergoeding op grond van artikel 89 Sv.

Vrijheidsbeneming in het buitenland

Schade vanwege detentie in het buitenland komt in beginsel niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 89 Sv. Dit is slechts anders indien de Nederlandse autoriteiten een verzoek hebben gedaan aan de buitenlandse autoriteiten tot uitlevering (aan Nederland) en de verdachte om die reden vrijheidsbeneming heeft moeten ondergaan in het buitenland. In dat geval is de Nederlandse staat immers verantwoordelijk voor de vrijheidsbeneming ondanks dat deze in het buitenland is ondergaan.

Vergoeding buitenland

Onterecht ondergane hechtenis in het buitenland die zonder toedoen van de Nederlandse overheid is ingesteld, kan overigens mogelijk wel in het betreffende land schadeloos gesteld worden. Voor schadeloosstelling van in Nederland onterecht ondergane vrijheidsbeneming is ingezetenschap immers ook geen vereiste. Indien het betreffende land ook een systeem kent van schadeloosstelling is het dus goed voor te stellen dat ook een Nederlander daarvoor in aanmerking komt.

2. Beëindiging zonder straf of maatregel

De strafzaak moet zijn beëindigd zonder straf of maatregel. De straffen die kunnen worden opgelegd zijn: gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf of geldboete. De maatregelen die kunnen worden opgelegd zijn: tbs-maatregel, plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, onttrekking van voorwerpen aan het verkeer, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding.

Geen straf, wel maatregel

Indien een van de genoemde straffen of maatregelen wordt opgelegd, kan van vergoeding van enige schade dan ook geen sprake zijn. Dit is voornamelijk van belang indien de verdachte volledig wordt vrijgesproken of wordt ontslagen van rechtsvervolging maar wel een maatregel wordt opgelegd zoals onttrekking van een voorwerp aan het verkeer. In beginsel lijkt dit een lichte maatregel. Echter, deze maatregel heeft wel tot gevolg dat geen vergoeding kan worden verzocht voor de onterecht ondergane vrijheidsbeneming.

Wel straf of maatregel, toch schadevergoeding

De verdachte kan ook in aanmerking komen voor schadevergoeding indien de strafzaak eindigt met een straf (of maatregel) doch voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegestaan. Het kan immers zo zijn dat de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld op verdenking van een ander feit waarvoor wel voorlopige hechtenis is toegelaten dan het feit waarvoor hij uiteindelijk is veroordeeld.

Geen straf of maatregel, toch geen schadevergoeding

Indien de verdachte schuldig wordt bevonden zonder oplegging van een straf of maatregel op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is weliswaar geen straf opgelegd, maar is de verdachte evengoed schuldig bevonden. Bij toepassing van artikel 9a Sr is geen plaats voor vergoeding van enige schade in verband met de vrijheidsbeneming. De verdachte is immers niet onterecht van zijn vrijheid beroofd nu hij wel schuldig is bevonden aan het strafbare feit waarvoor hij inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis heeft ondergaan.

3. Schade

De schade die in aanmerking komt voor vergoeding bestaat uit immateriële schade en vermogensschade. Immateriële schade ziet op de schade die veroorzaakt wordt door letsel (verdriet, pijn en het verlies van levensvreugde), reputatieschade of aantasting van eer en goede naam. Vermogensschade betreft schade aan het vermogen van de gewezen verdachte. Het gaat daarbij om zowel geleden verlies als gederfde winst of inkomen.

Immateriële schade

Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade wordt in beginsel aansluiting gezocht bij de door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) afgesproken normbedragen neergelegd in de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken.

Momenteel (oktober 2015) gelden de volgende normbedragen:

Omschrijving Schadevergoeding per dag
a. Verblijf in een politiecel € 105,00
b. Verblijf in een huis van bewaring € 80,00
c. Verblijf in een huis van bewaring in beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) € 105,00

Berekening

Allereerst dient bepaald te worden hoeveel dagen de vrijheidsbeneming heeft geduurd. Daarbij wordt onder één dag verstaan een tijd van 24 uur. Verder geldt dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt terwijl de eerste dag van de inverzekeringstelling nu juist als een volledige dag wordt vergoed. Vervolgens dient bepaald te worden waar de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden. Het aantal dagen wordt vermenigvuldigd met het normbedrag dat behoort bij de betreffende vrijheidsbeneming.

Indien een dag begint met een verblijf in een politiecel maar vervolgens overgaat in een verblijf in een huis van bewaring dan wordt die dag vergoedt als een dag in een huis van bewaring en derhalve tegen een vergoeding van € 80,- per dag. Dit geldt ook als de dag begint in bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting en overgaat in verblijf in een huis van bewaring zonder beperkingen, zodat niet het normbedrag van € 105,- geldt voor die betreffende dag maar het normbedrag van € 80,-

Bovenstaande zullen we toelichten aan de hand van twee voorbeelden:

Voorbeeld 1

Indien de verdachte op 24 oktober om 23:00 uur in verzekering is gesteld in een politiecel en op 26 oktober om 14:00 uur in vrijheid is gesteld, bedraagt de vergoeding € 210,00 (2 x € 105,00).

Immers, de eerste dag van de inverzekeringstelling telt als een volledige dag evenals de tweede dag (24 en 25 oktober). De dag van invrijheidstelling (26 oktober) telt niet mee.

Het normbedrag bij verblijf in een politiecel bedraag € 105,00 per dag zodat de totaalvergoeding tweemaal dit normbedrag bedraagt.

 

Voorbeeld 2

Indien de verdachte op 14 oktober om 21:00 uur in verzekering is gesteld in een politiecel, op 17 oktober om 21:00 uur in bewaring is gesteld in een huis van bewaring en op 20 oktober om 23:00 uur in vrijheid is gesteld, bedraagt de vergoeding € 555,00 (3 x € 105,00 + 3 x € 80,00).

De eerste dag van de inverzekeringstelling telt namelijk als een volledige dag evenals de tweede en derde dag (14, 15 en 16 oktober). De vergoeding voor drie dagen inverzekeringstelling in een politiecel à € 105,00 per dag bedraagt derhalve € 315,00 (3 x € 105,00).

Op de dag van overgang van de inverzekeringstelling in de politiecel naar de inbewaringstelling in het huis van bewaring (17 oktober) geldt het normbedrag van € 80,00 volgens de eerdergenoemde regel.

De volgende twee dagen van inbewaringstelling in het huis van bewaring (18 en 19 oktober) gelden als twee volledige dagen à € 80,00. De dag van invrijheidstelling (20 oktober) telt niet mee zodat de dagen 17, 18 en 19 oktober worden vergoed tegen een normbedrag van € 80,00 per dag zijnde een totaalbedrag van € 240,00 (3 x € 80,00).

Het totaalbedrag bedraagt aldus € 555,00 (€ 315,00 + € 240,00)

Vermogensschade

Gederfde inkomsten

Indien als gevolg van de ondergane vrijheidsbeneming inkomsten zijn gederfd, kunnen deze eveneens gevorderd worden mits deze schade met stukken wordt onderbouwd. Het kan daarbij gaan om gederfd loon indien de gewezen verdachte in loondienst is of gederfde winst indien sprake is van een zelfstandige.

Om de schade te berekenen dient een vergelijking gemaakt te worden tussen de inkomenssituatie met en zonder onterecht ondergane vrijheidsbeneming. Indien het loon bijvoorbeeld wordt doorbetaald om wat voor reden dan ook dan is er geen sprake van schade. Indien het loon deels wordt betaald of een uitkering is ontvangen dan komt alleen dat deel voor vergoeding in aanmerking dat de gewezen verdachte werkelijk is misgelopen.

Studievertraging

Het wordt echter ingewikkelder om aan te tonen dat er een causaal verband, dat wil zeggen rechtstreeks gevolg, bestaat tussen de ondergane vrijheidsbeneming en toekomstige inkomstenderving vanwege bijvoorbeeld een opleiding die niet tijdig voltooid kon worden.

Het is echter niet onmogelijk en mits het verzoek tot schade goed wordt onderbouwd, komt in beginsel alle vermogensschade die een rechtstreeks gevolg is van de onterecht ondergane vrijheidsbeneming in aanmerking voor vergoeding.

Voor de schade ter zake gederfde inkomsten zijn geen maatstaven of normen beschikbaar en deze schadepost hangt dan ook zeer nauw samen met de specifieke omstandigheden van het geval.

Reis- en verblijfkosten

De wet (artikel 591a lid 1 Sv) bepaalt dat een verdachte recht heeft op vergoeding van de reis- en verblijfkosten welke zijn gemaakt ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak. Bij reiskosten gaat het voornamelijk om de kosten van en naar de zitting. De verblijfkosten betreffen kosten voor verblijf, zoals een hotelovernachting, die redelijkerwijs noodzakelijk zijn geweest om een of meerdere zittingen bij te kunnen wonen.

Het is van belang dat de betalingsbewijzen worden overgelegd om deze kosten vergoed te krijgen. De werkelijke kosten, voor zover deze redelijke zijn, komen voor vergoeding in aanmerking.

Tijdverzuim

Verder bepaalt de wet (artikel 591a lid 2 Sv) dat een verdachte recht heeft op vergoeding van de schade als gevolg van tijdverzuim vanwege de vervolging en de behandeling van de zaak. Het gaat hierbij om schade vanwege gederfd loon (bij loondienst) of gederfde winst (bij zelfstandig ondernemerschap) in verband met het bijwonen van de zitting, de wachttijd in dat kader, maar ook de tijd die benodigd is voor overleg met de advocaat.

Het gaat hier derhalve niet om de tijd die is doorgebracht in voorarrest. Ook hier zal met de nodige stukken aangetoond dienen te worden wat het gederfde loon of de gederfde winst bedraagt.

Kosten rechtsbijstand

Op grond van artikel 591a lid 2 Sv heeft de gewezen verdachte tevens recht op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand dat wil zeggen de kosten die deze dient te betalen of heeft betaald aan zijn advocaat in verband met de strafzaak.

Het gaat om de werkelijke kosten en deze worden bovendien uitsluitend vergoed voor zover deze redelijk zijn. Dat betekent dat indien slechts een eigen bijdrage was verschuldigd omdat de advocaat heeft geprocedeerd op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand (toevoeging) ook slechts de eigen bijdrage wordt vergoed. De eigen bijdrage wordt overigens op nihil gesteld indien een verdachte wordt vrijgesproken of de zaak wordt geseponeerd in welke geval in het geheel geen kosten worden gemaakt.

Kosten opstellen verzoekschrift

Ook de kosten in verband met de behandeling van het verzoek tot vergoeding van de schade dient vergoed te worden door de overheid. Dat betekent dat een advocaat een dergelijk verzoek over het algemeen kosteloos voor u kan indienen. De advocaat ontvangt van de staat een bedrag van € 280,- voor het opstellen van het verzoekschrift zonder zitting en een bedrag van € 550,- indien het verzoek ook ter zitting wordt behandeld. Overigens wordt het verzoek doorgaans slechts ter zitting behandeld door de raadkamer van de rechtbank indien een ander (hoger) bedrag wordt verzocht dan de standaardvergoeding ter zake immateriële schade.

4. Binnen drie maanden

Het verzoek tot schadevergoeding dient in beginsel binnen drie maanden na beëindiging van de zaak te worden gedaan. Dat wil zeggen binnen 90 dagen. Deze termijn vangt aan op de dag dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verdachte bekend is geworden met beëindiging van de zaak. Indien de zaak eindigt met een sepot dan geldt de datum van ontvangst van de sepotbrief als aanvang van de termijn van drie maanden.

Wanneer sprake is van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging geldt de datum waarop deze uitspraak onherroepelijk wordt als aanvangsmoment van de termijn van drie maanden. De uitspraak wordt onherroepelijk na 14 dagen omdat na deze termijn geen hoger beroep meer ingesteld kan worden door de officier van justitie.

Na drie maanden: naar de civiele rechter

Buiten de periode van drie maanden kan de schade in beginsel niet worden verzocht bij de strafrechter. De gewezen verdachte kan de schade echter nog steeds vorderen bij de civiele rechter op grond van onrechtmatig overheidshandelen bestaande uit het achteraf gezien onterecht benemen van de vrijheid van de verdachte zonder daarvoor een compensatie te verlenen.

Tot vijf jaar na einde zaak

Een dergelijke vordering kan nog tot vijf jaar worden ingediend vanaf het moment dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verdachte bekend is geworden met beëindiging van de zaak zoals de ontvangst van een sepotbrief of het onherroepelijk worden van een uitspraak van de rechtbank waarvan de gewezen verdachte kennis heeft genomen.

Geen verrekening

Een ander voordeel van behandeling door civiele rechter is dat deze in tegenstelling tot de strafrechter geen directe bevoegdheid heeft om de toe te kennen schadevergoeding te verrekenen met gelden die aan de staat toekomen. Indien de schadevergoeding namelijk door de strafrechter wordt vastgesteld, kan hij de vergoeding verrekenen met aan de overheid verschuldigde bedragen ter zake een geldboete, schadevergoedingsmaatregel of wederrechtelijk verkregen voordeel.

5. Verzoek van verdachte

Het verzoek tot vergoeding van de schade wegens onterecht ondergane vrijheidsbeneming dient gedaan te worden door de gewezen verdachte of diens erfgenamen indien hij is overleden voor het einde van de drie maandentermijn of tijdens de strafzaak.

Verzoek door advocaat

Het verzoek zal de gewezen verdachte over het algemeen laten opstellen door de advocaat die hem heeft bijgestaan in het strafproces. Dit is echter niet noodzakelijk en kan ook door een andere advocaat worden opgesteld. Zoals hiervoor uitgelegd, worden de kosten van de advocaat door de overheid voldaan zodat u over het algemeen geen kosten maakt voor het laten opstellen van het verzoekschrift. Uw advocaat zal u ook bijstaan tijdens de behandeling door de raadkamer van de rechtbank indien de rechtbank een zitting noodzakelijk acht. Ook deze kosten worden vergoed door de overheid.

Hoger beroep

Indien het verzoek wordt toegewezen door de rechtbank wordt het bedrag van de toegekende schadevergoeding door de griffier aan u uitbetaald of aan uw advocaat die het vervolgens aan u doorbetaalt. Indien het verzoek niet of deels wordt toegewezen is het mogelijk om hoger beroep in te stellen daartegen zodat het gerechtshof het verzoek tot schadevergoeding opnieuw beoordeelt.

 

Meer informatie of hulp nodig?

Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met:

Wat zijn de kosten?

Het vaste tarief voor advies over schadevergoeding bij onterechte hechtenis kunt u zelf berekenen door vier eenvoudige vragen te beantwoorden. Klik hier om uw vaste tarief zelf direct te berekenen.